Elvis tussen de arbeiders
nrc.next / 20 november 2012



Zakenbank JP Morgan toonde dit weekend haar eigen collectie op de grootste Europese fotobeurs in Parijs. Het waren vooral veel zwart-witbeelden over armoe. Sympathiek of hypocriet?

» Meer

Aan de oever van een rivier genieten twee stelletjes van een picknick in zwart-wit: de opgerolde hemdsmouwen van de mannen verraden hun eenvoudige komaf. Het is 1938 - het recht van Franse arbeiders op twee weken vakantie per jaar is een recente verworvenheid. Voor wie dat weet is de foto Juvisy, France van Henri Cartier-Bresson niet alleen een vrijetijdstafereel, maar ook een document van een progressieve, politieke overwinning.

Juvisy, France is de openingsfoto van Spectacular Vernacular, een tentoonstelling van JP Morgan Chase op Paris Photo. De zakenbank is sponsor van de grootste fotobeurs van Europa, waar tienduizenden fotografen, handelaren, verzamelaars, galeriehouders en fotoliefhebbers vier dagen lang bijeenkomen onder het glazen plafond van het Grand Palais aan de Seine. Bezoekers dwalen van stand naar stand, hier weer een enorm naakt van Helmut Newton bewonderend, daar weer bladerend door een boek van Sophie Calle.

Alles is te koop op de beurs, behalve de foto's van Spectacular Vernacular zelf: de werken komen uit de bedrijfscollectie van JP Morgan Chase en keren straks terug naar de kantoormuren van de bank. De tentoonstelling over 'de complexiteit en schoonheid van het alledaagse', is dus niets meer of minder dan een visitekaartje. Terwijl op de openingsdag van de beurs stakingen de Thalys naar Parijs doen vertragen, speelt de vooraanstaande, financiële firma zich in de kijker met een lofzang op 'de 99%'. Sympathiseert de zakenbank nu plots met de arbeider?

De 32 foto's op Spectacular Vernacular hangen in een bescheiden expositieruimte tussen de galeriestands. Naast de Franse Henri Cartier-Bresson zijn vooral veel Amerikaanse grootheden vertegenwoordigd, zoals Walker Evans en William Eggleston. Ook Robert Frank geeft acte de présence. De Zwitser werd beroemd met de foto's die hij begin jaren vijftig maakte tijdens roadtrips door de Verenigde Staten.

Alle foto's die Lisa K. Erf, conservator van de JP Morgan Chase Art Collection, voor Paris Photo heeft geselecteerd komen uit de hoogtijdagen van de geëngageerde documentairefotografie. Kenmerkend voor die periode tussen de jaren dertig en tachtig van de vorige eeuw: een snapshotachtige stijl, een voorkeur voor zwart-wit, en een letterlijk naar buiten gerichte blik. Behalve Graceland, een serie kleurenfoto's die Eggleston in 1983 in de villa van Elvis Presley maakte, de twee motelkamers die Friedlander in 1962 vereeuwigde, en een portret van een boer van Eve Arnold uit 1983, zijn alle foto's op Spectacular Vernacular gemaakt op straat.

Juvisy, France wordt gevolgd door Dublin, Ireland, een foto die Cartier-Bresson maakte in 1952. In een arme buurt spelen een jongetje en meisje op straat. Op de stoep onder hun schoentjes is een vervagende krijttekening nog half zichtbaar; hun kleren zijn smoezelig en hun gezichten zijn vies. De foto kwam in 1983 in bezit van JP Morgan Chase. Dat jaar werd de Lincoln First Bank ingelijfd en daarmee kwam ook diens fotografiecollectie mee.

De in 1959 opgerichte JP Morgan Chase Art Collection geldt als een van de grootste en oudste bedrijfskunstcollecties ter wereld. Net als bij andere bedrijven heeft de collectie meerdere functies, van inspiratiebron voor werknemers en cliënten tot een vorm van social responsibility. Een kunstcollectie is ook een marketinginstrument: de bank wil er affiniteit met creativiteit en innovatie mee laten zien. Soms worden werken uitgeleend aan tentoonstellingen van andere musea, heel af en toe organiseert de bank een eigen tentoonstelling, zoals nu, op Paris Photo.

In Spectacular Vernacular lijkt het 'alledaagse' uit de titel vooral samen te vallen met het arbeidersleven en armoede. Even naast de Franse keuterboeren van Henri Cartier-Bresson hangen vier foto's die Walker Evans maakte in het door de Grote Depressie getroffen Amerika van de jaren dertig.

En ook op Cleveland, Wisconsin, Farmer (1983) van Eve Arnold, een van de twee kleurenfoto's op de tentoonstelling, blikt een oudere boer vanaf een bankje in de camera - armen over elkaar, een overall vol vlekken, trotse ogen. We zien etalages, billboards, arbeiders, toeristen.

Is de keuze van de bank die dankzij slimme overnames sterker uit de crisis is gekomen voor 'de gewone man' nu sympathiek of hypocriet? Het lijkt gedurfd om in een tijdperk dat regelmatig als 'de Grote Recessie' wordt omschreven - een recessie mede veroorzaakt door risicovol gedrag van banken als JP Morgan - de Grote Depressie aan de muur te hangen.

We zien ook interieurs van de villa van Elvis Presley, John F. Kennedy tijdens een toespraak, en Marilyn Monroe in een karakteristiek kokette pose: die onderwerpen lijken minder voor de hand liggend - al zijn de iconen, als volkshelden, natuurlijk wel 'van iedereen'. Het is lastig om in het contrast tussen het karige, zwart-witte interieur van de arbeiderswoning van Evans en de kleurige, protserige luxe van de villa van Elvis geen commentaar op het contrast tussen de armsten en rijksten van deze wereld te zien.

Aan de andere kant is de keuze van JP Morgan Chase een veilige: de foto's zijn gemaakt door een vorige generatie fotografen, die een tijdperk vastlegde dat nu voorbij is - over de huidige situatie zwijgen zij. Evans, Frank en Winogrand waren spraakmakend in hun tijd, maar inmiddels zijn ze bijgezet in de canon van de fotografie - klassiek verklaard, en daarmee geneutraliseerd. Zo bezien gaat het visitekaartje van de bank over een alledaagsheid die niet meer van deze tijd is - en dat maakt het visitekaartje ook een stuk minder spectaculair.


fotografie en parijs

Parijs staat deze maand in het teken van fotografie: naast Paris Photo worden nog de hele maand talloze tentoonstellingen, lezingen en debatavonden over fotografie gehouden.

Paris Photo is de grootste fotobeurs in Europa. Dit jaar hadden 128 galeries en 23 boekhandelaren er een stand. Nederland was onder meer vertegenwoordigd door Galerie Paul Andriesse, Flatlands Gallery, Dirk K. Bakker Boeken, en de Nederlandse fotografen Jacqueline Hassink en Anouk Kruithof, die genomineerd waren voor de Aperture PhotoBook of the Year prijs.


kunst ter stimulering

De JP Morgan Chase Art Collection geldt met 30.000 kunstwerken, waarvan 6.000 foto's verdeeld over 450 kantoren, als een van de grootste bedrijfskunstcollecties ter wereld. Chase-directeur David Rockefeller begon de collectie in 1959.

Het idee kwam van Gordon Bunshaft, architect van het Chase-hoofdkwartier in Manhattan: hij stelde voor zijn strakke gebouw aan te vullen met moderne kunst.

De kunst was niet alleen decoratief, maar moest ook een stimulerende werking hebben op werknemers, cliënten en gasten. Verder wilde de bank uitstralen dat het creativiteit, innovatie, diversiteit en kwaliteit hoog in het vaandel heeft staan.

Bij de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland zijn 52 bedrijven aangesloten. Naast banken en verzekeringsbedrijven, verzamelen ook overheden en ziekenhuizen vaak kunst. De bedrijfscollectie van ABN Amro bevat inmiddels 10,000 werken, de ING Collectie Nederland omvat ruim 20.000 werken en De Nederlandsche Bank heeft een collectie van 1.200 kunstwerken.

Op de foto als je 19de-eeuwse zelf
nrc.next / 24 Oktober 2012


Foto: The Tintype Studio

Tijdens de Dutch Design Week deze week kun je op de foto alsof het 1850 is. Lekker retro en uniek, voor yuppen op zoek naar nostalgie.

» Meer

"Drie, twee, een, daar ga je." Ik zit op een stoel, rug recht, ogen wijd open; een metalen steun in mijn nek houdt mijn hoofd op zn plek. De camera, een houten gevaarte van honderd jaar oud, staat tegenover me. Ik staar in de lens, en de lens - een Voigtlander Euryscope no. 5 uit het jaar 1886 - staart terug: mijn linkerwenkbrauw trilt, maar ik knipper niet. "En zes, zeven, acht, dat was 'm."Fotograaf Arjen Went (35) blindeert de Voigtlander met een lenskap, haalt de plaathouder uit de camera en loopt naar de donkere kamer. "Wil je het zien?"

De wet plate collodionfotografie*, uitgevonden in 1850 en in 1880 al weer obsoleet, beleeft een tweede jeugd. Een internationaal gezelschap van fotografen en hobbyisten blaast het stof van negentiende eeuwse cameras, struint markten af voor antieke lenzen en verdiept zich in de chemie tussen zilver en zonlicht.

Ergens kon je erop wachten: de heropleving van het collodionprocedé past in een tijd van popbands die hun album op elpee uitbrengen, telefoonfoto's die eruitzien als polaroids en grootstedelijke zondagsmarkten die een nostalgisch, semi-hip yuppenpubliek van ambachtelijk gebakken cupcakes, zelfgehaakte theezakjes en lokaal geproduceerde honing voorzien.

Een jaar geleden begon Went (35) samen met Manon Navarro (33) The Tintype Studio. Het project is vernoemd naar de metalen plaatjes waarmee de portretfotografie omstreeks 1860 voor iedereen werd ontsloten: tintypes waren namelijk goedkoper en eenvoudiger te maken dan de in 1839 geïntroduceerde Daguerreotypes. "Er zijn miljoenen tintypes gemaakt", zegt Alex Timmermans (51), die collodionworkshops geeft. "Je kreeg portretfotografen die gingen rondreizen en mensen portretteerden op stranden en kermissen." In een ironische retro-twist staat een proces dat in de negentiende eeuw schaalvergroting, modernisering en, volgens sommigen, vulgarisering van de fotografie betekende nu voor nostalgie, ambachtelijkheid en exclusiviteit. "Met een digitale camera kan iedereen fotograferen", zegt Navarro. "Maar dit kan niet iedereen - het is vakmanschap."

In hun atelier in Amsterdam-Noord en op festivals zoals de Dutch Design Week, deze week in Eindhoven, laten Went en Navarro mensen poseren voor hun antieke camera. Omdat de collodionplaat een relatief lange belichtingstijd vereist, moeten mensen, net als in de beginjaren van het medium, lang stilzitten: vandaar die hoofdsteun. Het verklaart de enigszins glazige blik waarmee onze voorouders ons nu aankijken.

In de donkere kamer giet Went bij het schijnsel van een rode lamp eerst ontwikkelaar (een mengsel van ijzersulfaat, azijnzuur, water en ethanol) over de plaat en legt 'm vervolgens in een bad van natriumthiosulfaat - 'fixeer'. Langzaam zie ik mezelf verschijnen - in metallisch zilver en haarscherp. Ze zeggen dat fotografie ons door de tijd laat reizen door scènes uit het verleden te ontsluiten voor nu, maar dit voelt meer als teleportatie: alsof ik mijn overgrootmoeder in de ogen kijk - of mijn negentiende eeuwse zelf.

Went en Navarro leerden het vak anderhalf jaar geleden van Alex Timmermans. Op de lage archiefkasten in zijn zolderstudio in Veldhoven prijkt een indrukwekkende verzameling antieke lenzen. Timmermans fotografeert al 35 jaar. Door digitalisering werd fotografie toegankelijker, maar ook minder bevredigend: "Ik was het spannende van analoge fotografie kwijt. Van een filmpje volschieten, wachten tot het klaar is, kijken wat er tussen zit. Op het beeldscherm van je digitale camera zie je meteen of het is gelukt." Hij werd gegrepen door de collodionfotografie: Dit proces geeft een beeld dat je nergens anders mee kan maken." Behalve dan met Photoshop misschien, maar dat telt niet.

Went en Navarro, die elkaar op de Design Academy in Eindhoven ontmoetten, zijn vormgevers: ook hun interesse werd mede ingegeven door een frustratie met het vluchtige van bits en bytes. "We wilden beeld maken dat ook een object was, iets wat je vast kon pakken", zegt Navarro. Went: "Ik voel me een vakman. Mijn handen zijn zwart aan het eind van de dag."

Voor fotografen zit de aantrekkingskracht dus zowel in de esthetiek van het uiteindelijke beeld als in het proces. Frappant genoeg kunnen ze zich dat dankzij digitalisering steeds makkelijker eigen maken. Op online fora als www.collodion.com en in Facebookgroepen geven liefhebbers als Timmermans, Went en Navarro elkaar tips en uitleg over chemicaliën en apparatuur.

Deelnemers aan Timmermans' cursus variëren van jonge studenten tot professionele fotografen. Dat de belangstelling groeit, merkt hij ook aan de stijgende prijzen van oude camera's en objectieven op Marktplaats. Went en Navarro rekenen ongeveer 40 euro voor een foto op een festival en 250 euro voor een studiosessie - niet goedkoop, zeker in een tijd waarin je voor bijna niets eindeloos veel digitale foto's kan maken. Toch is de belangstelling groot. "Voor jonge mensen, die alleen met digitaal zijn opgegroeid, is het een soort magie", zegt Went. "Voor oude mensen is het juist nostalgie. Op de foto gaan wordt weer een ritueel." Navarro: "Je moet echt jezelf zijn, want als je probeert zo lang te blijven lachen, krijg je op de foto een heel verwrongen grimas."

De foto's zijn bovendien unieke objecten. De enige manier om ze te reproduceren, is door ze in te scannen of opnieuw te fotograferen: dan heb je wel het beeld, maar niet het materiaal. Gold reproductie in de negentiende eeuw als vooruitgang, nu zijn de regels omgedraaid. En net als bijvoorbeeld een voetafdruk is "deze plaat ook echt daar geweest waar de foto is gemaakt", zegt Navarro.

Went vermoedt dat wie over vijftig jaar terugkijkt "een beeldgat" zal zien. "We leren nu pas hoe we fatsoenlijk backups moeten maken. Mensen komen erachter dat cd's die ze zeven jaar geleden hebben gebrand, het nu al niet meer doen. Digitale foto's printen we meestal niet uit en wat we uitprinten is vaak na een half jaar al geel of blauw." Hij haalt een collodionafdruk tevoorschijn uit de negentiende eeuw. Een vrouw met donker haar kijkt ietwat verbeten in de camera. Het beeld is klein, maar zo scherp dat het lijkt alsof ze ieder moment uit het kader kan klauteren. "Deze foto's zijn extreem lang houdbaar", zegt Went. "Ze vergelen niet, vergaan niet." Navarro: "Wij geven honderd jaar garantie."


* Het wet plate collodion proces werd rond 1850 uitgevonden door Frederick Scott Archer. Een glazen of metalen plaat wordt bedekt met collodion (een stroperig mengsel van nitrocellulose, ethanol, di-ethylether, ammoniumjodide en cadmiumbromide) en in een bad van zilvernitraat gehangen. De zouten in het collodiummengsel vormen samen met het zilvernitraat een lichtgevoelig laagje.

De nog vochtige plaat wordt in de camera geschoven en belicht. De afbeelding ontstaat door de reactie tussen de zilverzouten, het zonlicht en de ontwikkelaar die de belichte zilverzouten omzet in een dun laagje zilver.

Omdat de resolutie zich op molecuulniveau bevindt (in plaats van op korrelniveau, zoals bij film) zijn collodionfotos zeer scherp.

Drie, vier keer op de laatste rotonde rond
nrc.next / 24 Juli 2012


Foto: Maarten Remmers

Een groene stadsbus maakt reclame voor 'Neunkirchen, die Stadt Zum Leben'. De rode tourbus die we zoëven passeerden had 'Tour d'Alpes' op het raam staan; een wit bestelbusje van 'De Yskoning' veroorzaakte een flashback naar begin jaren negentig. We lijken terug bij af te zijn: het einde van de E40 wordt, net als het begin in Calais, gemarkeerd door een rotonde en voertuigen uit heel Europa.

» Meer

Maar dit is Ridder, een mijnstadje in Oost-Kazachstan, aan de voet van het Altaigebergte - we zijn bijna 9.000 kilometer, 52 dagen, tien grensovergangen, drie aanhoudingen en één klapband verder. Op deze rotonde prijkt een witmetalen toren met een gouden bal - een replica van de hoofdstedelijke Baytarek toren - en nadere inspectie leert dat de Duitse, Franse en Nederlandse bussen allemaal Kazachstaanse nummerborden hebben: opgegeven door West-Europa zijn ze hier aan een tweede leven begonnen.

Automobiel: een voertuig dat zichzelf voortbeweegt, een wagen zonder paard. Voor de E40, die Kazachstan in en uit slingert, dit land voor de derde en laatste keer aandeed, liep de weg door het noorden van Kirgizië. In het onwaarschijnlijk mooie bergstaatje leek het paard minstens zo'n heilige koe als de auto. De viervoeters waren overal: grazend in bergweides in de verte; op hun gemak in kuddevorm de weg overstekend; bereden door moderne schaapsherders, jonge Kirgiziërs die Adidasbroeken droegen en felgekleurde mutsen. Wegrestaurants waren nomadententen waar we gefermenteerde paardenmelk dronken; de herder die voorbijkwam toen de rechtervoorband van onze auto het op een onverharde weg begaf, parkeerde zijn paard en vier honden in de berm alvorens ons te helpen met het wiel.

De nieuwe reserveband die we later die dag kochten, ging gepaard met een uitnodiging om bij de garagehouder te komen eten: de oude Kirgiziër sprak een paar woorden Duits, waaronder 'eine Flasche', waarmee hij wodka bedoelde. 's Avonds vond ik mezelf terug in zijn woonkamer vol tapijten, aan een tafel vol eten. Beyoncé dartelde in bruidslingerie over het televisiescherm in de hoek, terwijl de beschonken garagehouder een monoloog afstak die over zijn oorlogsverleden leek te gaan. Zijn vrouw, die een vrolijk gerimpeld gezicht had en hooguit drie tanden, maakte intussen in gebarentaal duidelijk wat er, mocht ik ooit kinderen krijgen, met mijn lichaam zou gebeuren; en naast me op de bank zat hun zestienjarige kleindochter zich enorm te generen. Bij het afscheid kregen we een plastic tas mee met gedroogd fruit, brood, snoepgoed, een stuk biefstuk en een fles melk.

Het merendeel van de Kirgiziërs heeft het nomadenbestaan al lang opgegeven - daar heeft Stalin met zijn 'denomadiseringscampagne' wel voor gezorgd - en in de Kirgizische hoofdstad Bishkek werd de E40 gewoon weer gedomineerd door auto's. Ons hotel zat op de hoek van de Zijderoute Avenue en de Sovjetweg, wat ik grappig vond - al refereerde de stad, met haar geometrische stratenplan, grote pleinen, betonnen gebouwen en automobielen, vooral aan dat laatste tijdperk. Op een terras in de buurt van de Poesjkinstraat las ik in The Times of Central Asia dat het Kirgizische parlement het ministerie van Transport ervan beschuldigde ondermaatse wegen te hebben aangelegd en dat de Oezbeekse censor twaalf minuten uit Sasha Baron Cohens nieuwe film The Dictator had geknipt.

Vanaf Bishkek liep de E40 naar Almaty - de hoofdstad van Kazachstan, totdat president Nazarbajev in 1997 besloot de residentie naar het noordelijker gelegen Astana te verhuizen. Kazachstan is zo groot als West-Europa; het oostelijke Almaty ligt praktisch in China en was dus geen vreemde keus voor wie zijn vijand zo ver mogelijk van Moskou vandaan wilde hebben.

Dit moest ongeveer de route zijn die Leon Trotski aflegde toen Stalin hem, in de winter van 1928, naar Almaty verbande. Ik kon me moeilijk voorstellen hoe onherbergzaam dit landschap 's winters geweest moest zijn: in het zomerlicht leek de vriendelijk glooiende steppe nog het meest op een vergeelde versie van het bureaublad van Windows 98.

Een jaar later, in 1929, besloot Stalin dat de nomaden van Kazachstan, net als die van Kirgizië, op collectieve boerderijen moesten gaan wonen om graan te verbouwen: in de opstanden en honger die volgden kwamen 1 miljoen Kazachen om het leven en werd de veestapel gedecimeerd. Bij Almaty verwezen alleen de advertentieborden langs de E40 nog naar de verloren traditie: ze maakten reclame voor 'Nomad Autoverzekeringen'.

Tijdens de ruim duizend kilometer lange rit van Almaty naar Öskemen veranderde het landschap steeds van kleur en gedaante: dan was het weer bruin, geel en glooiend, dan weer een paars-grijs maanlandschap. Wat een ruimte, moeten ook Stalin en de zijnen hebben gedacht: tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeerde Kazachstan als ballingsoord voor etnische minderheden; vervolgens als testgebied voor nucleaire wapens. In Öskemen, met 300.000 inwoners de laatste grote stad aan de E40, werd in de jaren negentig nog zo'n 600 kilo verreikt uranium gevonden, achtergelaten door de Sovjets.

Bij het uitgaan in de Öskemense Club Bolshevik, waar de dansvloer vol stond met ranke Aziatische meisjes die op Rihanna dansten, kregen we van het management een fles wodka cadeau. De volgende ochtend besloten we de laatste 150 kilometer naar Ridder een dag uit te stellen, vanwege de kater.

De laatste dag van onze roadtrip was warm en bewolkt. De E40 reed nu richting de bergen: het landschap was onverwacht groen, vol naaldbomen en bloemenstruiken waarvan ik de naam niet kende. Er dartelden zoveel witte vlinders over de weg dat het soms bijna leek te sneeuwen - wanneer ze tegen de autoruit kapotspatten, lieten ze een geel-wit spoor achter. De ruitenwisservloeistof rook naar vanille. In een klein dorp stonden twee vrouwen de schutting te schilderen; er stond een koe op de weg en de man die voorbij fietste droeg een legerbroek en een giletje van spijkerstof.

Dit is wat ik van tevoren dacht: dat de mensen, de gebouwen, het landschap en het eten langs de E40 geleidelijk zouden veranderen. De Fransman zou langzaam maar zeker overgaan in de Oost-Kazach en voor de roadtripper zouden de verschillen tussen West-Europa en Centraal-Azië, uiteindelijk, klein en begrijpelijk zijn.

Het was een naïef idee, een fantasie.

Sommige dingen blijven constant - overal aan de weg houden mensen van vlees op een stokje, weten ze wie Marco van Basten is, en vergrendelen ze hun liefde door hangsloten aan bruggen te klinken. Andere veranderingen zijn juist abrupt: het cyrilisch alfabet, de geometrische stadsplannen en de stempelliefde van de voormalige Sovjet-Unie vloeien niet voort uit de landen die eraan voorafgaan, maar vormen een contrast. In Centraal-Azië zie je Slavische en Aziatische gezichten naast elkaar, niet in of door elkaar. De E40 loopt niet over een staalkaart, maar over een palimpsest - waarop politiek, economie, godsdienst en geografie een grillig patroon hebben achtergelaten.

Of dat is wat ik ervan maak. Maar vraag het de transportminister in Genève, de Oekraïense stratenmaker, de Kirgizische schaapsherder: iedere weggebruiker heeft zijn eigen E40 - en alleen voor ons doet het er toe dat die nu eindigt, op een rotonde in Ridder met oude Europese automobielen.

Drie, vier keer rijden we rond: om de Baytarekreplica heen, langs de spoorlijn, het parkeerterreintje, het lichtroze woonblok waar 'Dr Zoo' op de benedenverdieping huist. 'En nog, en nog, zeg iets', dicht Herman de Coninck in mijn hoofd: 'Leer me huilen, en als ik huil / leer me zeggen: het is niets.'

Mijn lief parkeert de auto. Dan stappen we uit.


High five, we zijn de Oeral over!
nrc.next / 3 Juli 2012


Foto: Maarten Remmers

De rivier en de weg kruisen elkaar in Atyrau. De Oeral komt uit het noorden en stroomt richting de Kaspische Zee, de E40 is op weg naar Oezbekistan. De weg gaat bovenlangs, als brug met aan de voet een bordje dat ons vertelt dat we in 'Europe' zijn, aan de overkant een bord dat ons welkom heet in 'Asia.'

» Meer

De 300 kilometer tussen de Russisch-Kazachstaanse grens en hier liep de E40 door een plat steppelandschap waar het eerste teken van leven een kameel was en het tweede teken van leven de dood - wat ik vanuit de verte voor de skyline van een stad hield bleek een begraafplaats te zijn, met voor elke dode een minimausoleum voorzien van koepel of toren. Op een paar volgeladen Lada’s en een colonne vrachtwagens na was het stil op de weg: de kamelen waren loom, de begraafplaatsen verstild, de jaknikkers in de olievelden stoïcijns. Atyrau verrijst uit die steppe als Las Vegas uit de woestijn: plotseling en onwerkelijk, met moderne hoogbouw, grote pleinen, en plantsoendienstmedewerkers met zonnebrillen op volledig ingezwachtelde gezichten. In hun verdediging tegen zon, stof en uitlaatgassen zien ze eruit als kleurige mummies.

Wanneer we de Oeral oversteken geven we elkaar een high five: 'Europa' en 'Azië' zijn maar woorden natuurlijk, maar benoemen is wat mensen doen – rivieren, continenten, gebergtes en wegen krijgen namen en daarmee betekenis. Kazachstan dankt zijn naam aan Joseph Stalin. In een klassiek staaltje verdeel-en-heerspolitiek trok hij in 1924 grenzen op de kaart van dit gebied en creëerde zo landen – Sovjetrepublieken – waar eerst nomadenstammen en autonome stadsstaatjes waren: Kazachstan, Oezbekistan, Kirgizië, Tajikistan. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 bleven die grenzen bestaan; niet veel later werd het Europese E-netwerk, waarvan de E40 de langste route is, naar Centraal-Azië uitgebreid. Azië, bedenk ik op de brug, heeft geen westen: het begint in het midden.

"Waarom gaan jullie naar Oezbekistan? Daar is alleen maar zand! Turkije is veel mooier!" Latif, een Turkse vrachtwagenchauffeur van een jaar of veertig met een bandana om zijn hoofd, heeft thee ingeschonken. Samen met vijf andere chauffeurs pauzeert hij in de schaduw van een langs de E40 geparkeerde truck, ergens tussen Atyrau en de Oezbeekse grens. Ze zijn opweg naar Nederland, vertelt Latif, en hebben zojuist "tomaten, ijsjes, en kleren" afgeleverd bij de Nederlandse soldaten in Afghanistan.

Oezbekistan grenst aan Afghanistan en sinds Pakistan de NAVO eind vorig jaar de toegang ontzegde loopt de overlandse bevoorrading van de ISAF-missie aldaar volledig via trein- en truckroutes door Europa en Centraal-Azië; ook de E40 is onderdeel van dit 'Northern Distribution Network'. Iedere vijf weken rijdt Latif, die in Nijmegen woont en voor een Nederlands vervoersbedrijf werkt, op en neer; wanneer ik naar zijn vrouw en kinderen informeer, wijst hij naar zijn medechauffeurs – knappe mannen tussen de twintig en de vijftig, met bruine, verweerde koppen. Ze grijnzen, hun ogen spleetjes tegen de felle zon.

Het is 38 graden en schaduw ontbreekt wanneer we in het niemandsland tussen Kazachstan en Oezbekistan wachten tot de lunchpauze van de Oezbeekse douaniers voorbij is. Mijn eigen brood smaakt naar zand: de zestig kilometer hiervoor was de E40 onverhard, een enorme zandbak waar we met twintig kilometer per uur doorheen hobbelden, onze raampjes haastig maar tevergeefs dichtdraaiend telkens wanneer er een stofwolk producerende vrachtwagen naderde. De steppe was overgegaan in woestijn, ik telde drie verloren schoenen en in plaats van een strohalm zag ik de tape van een cassettebandje voorbij waaien. Zodra we de grens over zijn verschijnt een Oezbeekse dame aan ons raam om geld te wisselen. In ruil voor vijftig euro krijgen we 170.000 Oezbeekse som; omdat het hoogste biljet 1.000 som is, komt dat neer op vier komisch dikke pakken.

Kazachstan produceert olie, Oezbekistan katoen: waar Kazachstans oliebronnen in Sovjettijden grotendeels onaangeroerd bleven, daar werd Oezbekistans katoenteelt onder het ene Vijfjarenplan na het andere juist enorm uitgebreid. Door de irrigatie die daarvoor nodig was verwerd de Aralzee, die grotendeels in de west-Oezbeekse autonome republiek Karakalpakstan ligt, in recordtempo tot een gekrompen, verschrompelde, visloze schim van zichzelf.

Na de grens voert de E40 naar de Karakalpakische hoofdstad Nukus – een route die vijftig jaar geleden vlak langs de oever van de Aralzee had gelopen, maar nu door een uitgedroogd, uitgestorven gebied leidt. De lucht is grijs, zwaar en stoffig, als een verstilde zandstorm.

Op de Afghaanse vrachtwagenkaravaan na is de weg leeg: de economie en de bevolking van Karakalpakstan krimpen met de Aralzee mee. We passeren spookstadjes met onbewoonde gebouwen in verschillende stadia van verval. Bij een spoorwegovergang staat een groepje jongens zich te vervelen; wanneer we stoppen voor een passerende trein verzamelen ze zich aan ons raam en vragen om geld of snoep. Het zakje gedroogd fruit dat ik voor ze openhoud wordt uit mijn handen gegrist; wanneer we doorrijden zie ik in de achteruitkijkspiegel hoe ze eroverheen gebogen staan – en ik bedenk dat ik nu pas weet, wat 'desolaat' betekent.

Alle kleur van Karakalpakstan blijkt zich te hebben verzameld op de bazaar van Nukus, een stad met lage, witte gebouwtjes en grijze betonnen torens in een geometrisch grid. De vrouwen dragen lange jurken en gebloemde hoofddoeken; hun gezichten zijn knap en donker, met felle amandelvormige ogen en gouden tanden. In een kolossaal gebouw aan het boomloze stadspark herbergt het Igor V. Savitsky Museum 's werelds grootste collectie vroege Sovjetkunst. In de landschappen en stillevens van Karakalpakische kunstenaars uit de jaren dertig, veertig en vijftig figureren vissen, havens en boten: met de weg hierheen in het achterhoofd worden die onschuldige taferelen treurig en surreëel.

Na het einde van de wereld, het begin: zo'n 500 kilometer voorbij Nukus, waarvan bijna de helft onverhard, doemt Boechara op als de blauw-turquoise oase die ze, met haar met mozaïek versierde moskeeën, madrassas en koepels, ook ten tijde van de Zijderoute geweest moet zijn. Eeuwenlang lag Boechara halverwege de handelsroutes tussen China en de Middellandse Zee; haar bloeitijd kwam ten einde met de ontdekking van alternatieve vaarroutes in de zestiende eeuw. In de nog altijd prachtige markthallen wordt nu voornamelijk toeristencrap verkocht.

Na Boechara volgt de E40 de oude Zijderoute richting Kirgizië en neemt tussendoor nog een hapje Kazachstan. De steppe heeft nu gezelschap gekregen van het Tian-Shian gebergte, dat achtergrondje speelt. Op een camping net buiten het Kazachstaanse dorpje Zhagabyly – vanuit de tent zien we de besneeuwde toppen waarachter Kirgizië begint – ontmoeten we Sergey. Sergey is imker, zijn bijenkasten staan naast het washok. Hij rijdt een witte Lada, heeft golvend haar en draagt een spijkerpak dat uit de jaren zeventig lijkt te komen; om op het Engelse woord voor 'gisteren' te komen neuriet hij 'Yesterday' van The Beatles. Hij belooft ons morgen een potje honing te brengen: "I'll be back", zegt hij, met een Arnold Schwarzenegger-accent.

Maar reizen maakt ongeduldig, de E40 maakt nieuwsgierig, Kirgizië lonkt: de volgende dag vertrekken we vroeg, Sergey mislopend. En het is gek, dat je zo veel kan zien – het deprimerende Karakalpakstan; het dikke, waardeloze pak geld in de handen van de beenloze bedelaar op de bazaar van Nukus; de meuk in de passages van Boechara – en dat je hart uiteindelijk breekt om de honing, die iemand voor je meebrengt, terwijl jij al bent vertrokken.


De autoweg is hier niet alleen voor auto's
nrc.next / 12 Juni 2012


Foto: Maarten Remmers

De elektricien heet Pasha. Hij is dertig en woont ergens tussen Kiev en Charkov, in een vakantiepark dat volledig wordt bevolkt door stratenmakers en elektriciens. Dit is tijdelijk: binnenkort is de snelweg naast het park weer als nieuw en kan Pasha, die de lantaarnpalen doet, naar huis.

» Meer

Thuis is Poltava, een stad niet ver van hier, waar Peter de Grote ooit nog de Zweedse koning Karel de twaalfde versloeg. Pasha informeert naar onze plannen na Charkov. "Dan rijden we door naar Rusland." "En dan?" "Naar Kazachstan." "Kazachstan! En als jullie daar zijn?" "Dan draaien we om en rijden we terug." Het duurt even voor Pasha is uitgelachen. Dan vraagt hij of we marihuana roken.

Wat voor Pasha gewoon de weg is tussen Kiev en Charkov en een tijdelijke bron van inkomsten, is ook de langste snelweg van Europa. De E40 begint in Frankrijk en komt daarna via België, Duitsland en Polen, Oekraïne binnen. Over de gehele 1.500 kilometer die de E40 in Oekraïne lang is lijken wegwerkzaamheden plaats te vinden: het oude pokdalige wegdek verdwijnt onder een nieuwe laag asfalt en in de grond worden bijpassende wegborden, lantaarnpalen en vangrails geplant. Dat Pasha's laatste werkdag precies samenvalt met de aftrap van het EK, dat onder meer in Kiev en Charkov wordt gespeeld, noemt hij toeval: "De wegen in Oekraïne," zegt Pasha, "zijn gewoon heel erg slecht."

Twintig jaar geleden – Oekraïne was dankzij het het uiteenvallen van de Sovjet-Unie net een jaar onafhankelijk – introduceerde de Franse antropoloog Marc Augé de term non-lieux, 'non-plaatsen'. Non-plaatsen zijn plekken waar je enkel bent om er weer weg te gaan, zoals luchthavens, internationale hotels, en autowegen: generieke plekken die niet beklijven en waar sociaal contact nauwelijks gedijt. Tot en met Polen was de E40 inderdaad een autoweg als elke andere: dat ik 'm speciaal vond kwam alleen doordat ik wist welke landen hij met elkaar verbond – na Oekraïne, Rusland, Oezbekistan, Kyrgizië, Kazachstan. De weg was een bijzonder verhaal, geen plaats. Maar sinds we op weg van Calais naar Kazachstan in Oekraïne zijn aanbeland is alles anders: een veelheid aan werelden ontvouwt zich hier op en aan de weg – en zo voelt de E40 hier vaak wel degelijk als een plek voor iemand, om te blijven.

Het sovjettijdperk is een van die werelden: het leeft voort in de architectuur en kunst aan de weg. Betonnen torenflats waarvan de uniformiteit slechts door een waslijn of dichtgemetseld balkon wordt onderbroken. Militaire tanks, gevechtsvliegtuigen en Lenins op sokkels. En op de weg: zodra je de grens oversteekt word je omringd door oude Lada's. Het zijn aandoenlijke auto's – auto's zoals een kind ze tekent: blokkig, symmetrisch, en uitgevoerd in rood, geel, groen of blauw.

Naast Lada's trekt buiten de steden een bonte stoet andere weggebruikers voorbij: fietsers, voetgangers, paard en wagen zelfs. Het idee dat een autoweg exclusief voor gemotoriseerde voertuigen is bedoeld dateert van begin vorige eeuw maar lijkt hier, ondanks het nieuwe asfalt, nog steeds niet echt te leven. Boerinnen in bloemetjesjurken verkopen hun waar in de berm: geïmproviseerde kraampjes met liefdevol uitgestalde radijsjes, komkommers en ingemaakte vruchten doen alsof de weg een marktplein is, geen drukke verkeersader. Vijftig kilometer ten westen van Kiev, waar auto’s met 90 kilometer per uur voorbijrazen, heeft iemand een zak aardappelen op de gloednieuwe vangrail gelegd: te koop voor wie wil, al is het volstrekt onduidelijk hoe je hier moet stoppen.

Over een glooiend landschap strekken akkers zich eindeloos ver uit, afgewisseld door dorpjes waar de gouden uivormige koepel van de plaatselijke Russisch-orthodoxe kerk blinkt alsof-ie vanochtend is gepoetst. Verder zijn die kerken vaak van hout, net als de meeste huisjes – huisjes die, met één verdieping en een puntdak, ook uit een kindertekening lijken te komen. Alleen de asbest dakbedekking misstaat in dit negentiende eeuwse tafereel. Maar als je je ogen een beetje toeknijpt, zie je dat niet eens meer.

Dan dendert de E40 Kiev binnen, en is hij plots getransformeerd tot een drukke winkelstraat waar patserige SUV's op de stoep parkeren en hooggehakte, kortgerokte schoonheden inkopen doen bij Miss Sixty of Energie – bizar genoeg op het ritme van een montere sovjetmars, die uit de luidsprekers op straat schalt.

Terug in 2012 dus, jaar twee van de UN Decade of Action for Road Safety. Volgens de Verenigde Naties veroorzaken verkeersongelukken jaarlijks 1,3 miljoen doden en 50 miljoen gewonden: een 'epidemic of road deaths', noemt de organisatie dat. Die epidemie plaagt vooral landen in ontwikkeling zoals Oekraïne: door economische vooruitgang groeit het aantal autobezitters, maar wanneer veiligheidshandhaving en infrastructurele voorzieningen achterblijven, stijgt het aantal ongelukken mee. Om te begrijpen wat Pasha met „heel erg slecht” bedoelt, hoef je maar van de E40 af te gaan: zijwegen veranderen al snel in gatenkaas, grind en zand, en verlichting ontbreekt. De afgelopen vijf jaar ontving Oekraïne 650 miljoen euro aan leningen van de European Investment Bank en de European Bank for Reconstruction and Development om de hoofdwegen substantieel te verbeteren – uit dat potje wordt Pasha dus betaald. Volgens een EIB vice-voorzitter moeten betere, veilige wegen bijdragen aan de "verdere ontwikkeling van samenwerking tussen de Europese Unie en Oosterse partnerlanden" – een uitspraak die suggereert dat Oekraïne de lening deels dankt aan haar geografische en politieke bufferpositie tussen de Europese Unie en Rusland.

Nadat we Pasha's aanbod om marihuana met hem te roken hebben afgeslagen, rijden we door naar Charkov, en vanuit Charkov naar de Russische grens. Zowel de weg als het landschap worden steeds leger en ruiger – minder Lada’s en akkers, meer steppe en droog zand. Hoe dichter we Rusland naderen, hoe meer de E40 weer een non-plaats wordt – en hoe meer ook weer een verhaal.

De grensovergang zelf is klein en rustig. De meeste passanten zijn te voet: Russen die in Oekraïne zijn gaan winkelen, of andersom. Ik zie oude mannen op slippers, een Clairy Polak-achtige vrouw in een alligatorkleurig broekpak, en een dikke dame die een affiche van New York vasthoudt waarop het Chrysler Building en Lady Liberty onwaarschijnlijk dicht naast elkaar staan.

Zometeen zullen we door een kaal steppelandschap naar Volgograd rijden (voorheen, en beter, bekend als Stalingrad), waar ik me zal verwonderen over de afmetingen van het oorlogsmonument. Na Volgograd zal Astrakhan volgen, waar plaatselijke jongeren op het grote plein zullen repeteren voor een balletvoorstelling over Ruslands zege in de Tweede Wereldoorlog. Lenin zal vanaf zijn sokkel toekijken en ik zal een beetje moeten huilen; maar dat gebeurt altijd wanneer ik kinderen op een podium zie staan. In Astrakhan zullen naast kerkkoepels voor het eerst ook moskeeminaretten verrijzen, mij eraan herinnerend dat onze reis kris-kras door de tijd ook een reis richting het oosten is.

Maar dat is voor later: nu, op het randje van Oekraïne, verwonder ik me over de petten van de Russische douaniers, die anderhalf keer zo groot zijn als die van hun Oekraïense collega’s, en maak ik me vrolijk om de kleine, dikke grenswachter met zwart haar, rode konen en een moeilijk been, die uit een paspoortcontrolehokje te voorschijn komt en weghobbelt, vastberaden als was hij op weg naar een verhaal van Tsjechov of Dostejevski.


Het verhaal van Europa, gezien door een autoruit
nrc.next / 22 Mei 2012


Foto: Maarten Remmers

De langste snelweg van Europa begint terloops: als afslag van een rotonde in de Franse havenplaats Calais, met op rechts een klein bosje, links een Kentucky Fried Chicken en troosteloze nieuwbouw in de achteruitkijkspiegel.

» Meer

Pas wanneer je de afrit neemt en oostwaards rijdt verschijnen borden die vertellen dat dit de E40 is - een weg die hier zes banen telt en hoofdzakelijk wordt bevolkt door vrachtwagens. Van Dongen Transport uit Aalsmeer, Spedition und Logistik uit Duitsland, trucks uit Bulgarije, Ierland, Polen, Frankrijk. Rechts raast een volkstuinencomplex voorbij; de lucht is grijs en de elektriciteitsmasten aan de horizon lijken op marionetten in rust, hun kabels als koorden die wachten tot een reuzenhand hen tot leven wekt.

Een non-descript begin, van een weg die sowieso weinig beroemd is. Nu is roemloosheid het lot van de meeste wegen – Route 66 en de Pacific Coast Highway spreken tot de verbeelding, maar die liggen in Amerika en in Amerika is autorijden Volkssport Nummer Eén – maar wie deze E40 blijft volgen, eindigt uiteindelijk in Ridder, Kazachstan, vlakbij de Chinese grens. Het is de langste route van het Europese E-netwerk, in 1950 in het leven geroepen door de Europese Economische Commissie van de Verenigde Naties. Na twee wereldoorlogen dachten ze in Genève dat vrij internationaal vervoer van goederen en mensen met economische vooruitgang, vrede en stabiliteit gepaard zou gaan.

"Begin bij het begin", zei de Koning van Wonderland ooit tegen Alice, "en ga door tot aan het einde: stop daar." Alice kon weinig met dat advies, maar het is precies goed voor wie benieuwd is naar wat zich afspeelt aan deze weg, die ruim 8000 kilometer lang is en West- en Oost-Europa met Rusland en Centraal-Azië verbindt. Wie zijn de mensen die eroverheen rijden, eraan wonen, eraan werken? Hoe veranderen het wegdek, de wegrestaurants en het landschap? En als deze grauwe rotonde in Calais het begin is, hoe ziet het einde er dan uit?

Op een grijze vrijdagochtend beginnen mijn lief en ik aan een roadtrip die deze vragen moet beantwoorden. Tomtom reist met ons mee - of wij met hem, het is maar hoe je het bekijkt. Oezbekistan, Kazachstan en Kirgizië bestaan niet voor tomtom en Oekraïne en Rusland zijn slechts voor "achtendertig komma acht procent" in kaart gebracht - maar de eerste drieduizend kilometer worden we bijgestuurd door een Britse meneer die ons vraagt te keren wanneer mogelijk, of bij de rotonde rechtdoor te gaan.

Een navigatiesysteem lijkt overbodig voor wie immer gerade aus wil gaan, maar de lijn die in Genève op een kaart is gezet, vertaalt zich niet naar één lange, uniforme strook asfalt: de E40 is eigenlijk geen weg, maar een route. Hier in Frankrijk heet de E40 bijvoorbeeld ook A16; straks in Duitsland heet ie 44. In theorie moeten die wegen overal van hetzelfde kaliber zijn en moet overal het rechthoekige, groen-met-witte E40-bordje staan, maar de European Agreement on Main International Traffic Arteries is vooral een intentieverklaring en de praktijk is weerbarstig.

Het Noord-Franse landschap lijkt teleurstellend veel op dat van Nederland: platte weilanden, blote boompjes. Net voorbij de grens met België wordt een fietstunnel aangelegd. Een geelgebloemd koolzaadveld - biobrandstof in wording - luistert de grijsbruine omgeving op. Via Brussel - waar de E40 de ring is - en Luik rijden we naar Duitsland: spekglad asfalt en geen snelheidslimiet. Wat begon als zes banen zijn er nu vier, en soms twee; vanaf Oost-Duitsland wordt het landschap glooiend en groen. De dorpjes doen denken aan speelgoed dat over een lappendeken is uitgestrooid en vervolgens vergeten door het kind dat er grootse plannen mee had.

Na een nacht in Eisenach, geboorteplaats van Johann Sebastian Bach en net zo degelijk als die eer doet vermoeden, rijden we door naar Polen, waar het wegdek minstens zo glad is - en gloednieuw. Af en toe wordt de E40 door werkzaamheden gereduceerd tot één baan: stapvoets passeren we graafmachines, mannen in oranje hesjes, en in de berm steevast een blauw bord met gele sterren - de EU timmert hier aan de weg.

De eerste stop in Polen is Wroclaw. Op de grote markt telt een bord de dagen af tot het Europees Kampioenschap. De culturele trots van de stad, het Panorama van Raclawice, staat iets buiten het centrum. Op dit panorama - een schilderij van 15 bij 120 meter, tentoongesteld in een speciaal voor de gelegenheid ontworpen cirkelvormig gebouw - is een achttiende eeuwse veldslag afgebeeld tussen de Polen en het Russische leger. Luisterend naar de audiotour en lopend door de rotonde zie ik het schilderij in een spannende oorlogsfilm veranderen - waarvan de Poolse opstandelingen ondanks de relatief slechte afloop uiteraard de helden zijn. Hun kleding blijft tot het bittere einde hagelwit, en dat alleen is al een hele prestatie.

Het Panorama van Raclawice werd geschilderd voor de Nationale Tentoonstelling van 1894 in Lvov , een stad die ook aan de E40 ligt. Lvov ligt tegenwoordig niet meer in Polen, maar in Oekraïne: net als de definitie van 'Europa' liggen landsgrenzen allesbehalve vast. Vier jaar later opende in Parijs de Internationale Autosalon en werden de eerste internationale autoraces gehouden: ook dromen over een internationaal wegennetwerk begonnen toen.

Sinds die droom werkelijkheid werd is het netwerk voortdurend veranderd: nieuwe landen sloten zich aan, wegen werden opnieuw genummerd en op de ontrafeling van de Sovjet-Unie volgde een uitbreiding naar het oosten. Inmiddels zelfs tot buiten Europa: in Kazachstan steekt de E40 de Oeral over en loopt het Aziatische continent in.

Op de E40 van Wroclaw naar Krakau bedenk ik dat een autoruit hetzelfde werkt als een panorama: de ruit is een kader waarbinnen zich een verhaal afspeelt, nu niet omdat je een rondje loopt, maar doordat je vooruit rijdt. Verandering van plaats lijkt verandering in tijd. Ik heb geen rijbewijs: er was een zomer waarin ik het probeerde te halen en tijdens het examen ingreep op ingreep stapelde. „Volgens Harry Mulisch heb je mensen die rijden en mensen die gereden worden”, zei een vriend nadat ik voor de derde keer glorieus was gezakt. Het was troostend bedoeld.

Hoe dan ook is het voordeel dat mijn ogen vrij zijn om te kijken naar het Panorama van de E40, en mijn handen vrij om op te schrijven wat ik zie: Akkers. Ikea. Weinig vrachtwagens. Reclame voor een pretpark met dinosauriërthema. Het tuincentrum, de kerk en de begraafplaats van een dorpje waar de E40 dwars doorheen loopt. En dan: Oekraïne.

Tot nu toe werden grensovergangen steeds gemarkeerd door blauwe bordjes met gele sterren, maar bij Oekraïne staat de eerste ouderwetse grenspost. De auto moet gecontroleerd, onze paspoorten geïnspecteerd en geregistreerd. Een jonge douanier vraagt onzeker of we tien euro voor hem hebben. Nee, zeggen we. Dollars? Ook niet. Oké, rij dan maar door. Hij kijkt beteuterd: de corruptie waar Oekraïne om bekendstaat moet hij nog in de vingers krijgen.

De Europese Unie houdt hier op, maar Europa loopt door – samen met Polen is Oekraïne dit jaar gastheer van het EK. 'Euro 2012. Ukraine and Poland – Making History Together', staat op een blits billboard net voorbij de grens. Ik schrijf op dat het trotse letters zijn.


Bill wil je spreken en het is dringend
NRC Handelsblad / 4 april 2012 (met Thalia Verkade )



Bill Gates mengde zich anderhalve week geleden in het Nederlandse debat over bezuinigingen op ontwikkelingshulp. Hoe kwam hij hier in de media terecht?

» Meer

Het begon op Twitter: vorige week donderdag merkte Tim Overdiek, presentator van het NOS Radio 1 Journaal dat hij een nieuwe volger had: "Ene Jeremy Hillman." 's Avonds kreeg hij van diezelfde Hillman een contactverzoek op LinkedIn: "Ik zat in het theater en negeerde het even." De volgende ochtend, Overdiek was de hond aan het uitlaten, kreeg hij een berichtje van "iemand bij de BBC, die ik nog kende uit mijn correspondententijd in Londen". Boodschap: Jeremy Hillman probeerde Overdiek te bereiken, het was dringend. Overdiek gaf zijn telefoonnummer en al snel hing Hillman aan de lijn. Overdiek: "Hij vroeg of ik Bill Gates wilde interviewen. Ik zei, nou, op zich wel, maar waar gaat het over?"

Sinds 2008 is Gates, die als oprichter en bestuursvoorzitter van softwarebedrijf Microsoft zijn fortuin maakte, fulltime voorzitter van de in 1994 opgerichte Bill and Melinda Gates Foundation. De stichting, met een fonds van ruim 33 miljard dollar de grootste filantropische organisatie ter wereld, wil wereldwijd gezondheid bevorderen en honger en armoede bestrijden. Ze doet dit onder meer met donaties aan het Global Fund to Fight Aids, Tuberculosis and Malaria en de Global Alliance for Vaccines and Immunisation - organisaties waar ook Nederland honderden miljoenen euro's aan bijdraagt.

Toen het er anderhalve week geleden niet naar uitzag dat het Nederlandse ontwikkelingsbudget ongeschonden uit het Catshuisberaad zou komen, mengde Gates zich in het debat. In interviews met de NOS en de Volkskrant en opiniestukken in NRC Handelsblad en nrc.next liet hij het Nederlandse volk weten dat zijn bijdrage van onschatbare waarde is en dat het relatief gulle Nederland een voorbeeld vormt voor de rest van de wereld: als Nederland zich terugtrekt, zullen andere landen dat ook doen, was de strekking. De vorm van Gates' inmenging leek minstens zo nieuwswaardig als de inhoud van zijn boodschap: zowel NOS als de Volkskrant benadrukte dat Amerika's rijkste man zelf had opgebeld, maar in Pauw & Witteman suggereerde Arend Jan Boekestijn dat ontwikkelingsorganisatie Novib Gates had ingeschakeld. In deze krant speculeerde columnist Christiaan Weijts tongue-in-cheek dat Ruud Lubbers erachter zat. Hoe kwam Bill Gates in de Nederlandse media terecht en wat had hij daar eigenlijk te zoeken?

Het initiatief voor het mediaoffensief lag niet bij Gates, maar bij Jeremy Hillman. Hillman is sinds augustus vorig jaar 'Director of External Communications' van de Gates Foundation; daarvoor werkte hij voor de BBC, onder meer als correspondent in Brussel. Aan Hillman en zijn team de taak om "de programma's van de Foundation door middel van strategische mediarelaties te ondersteunen". Op donderdag had dagblad Trouw een opiniestuk gepubliceerd van Joe Cerrell, Europadirecteur van de Gates Foundation. Hillman: "Ik ken Hilversum goed omdat ik correspondent ben geweest in Brussel. Gezien de staat van het debat in Nederland vond ik dat het tijd was dat meneer Gates zich ermee ging bemoeien." Hij legde zijn idee voor aan Gates, die instemde; diezelfde avond zocht Hillman, die ooit een masterscriptie schreef over het gebruik van sociale media door organisaties, via LinkedIn, Facebook en Twitter contact met de NOS en de Volkskrant. Via zijn BBC-netwerk kwam hij bij Overdiek terecht. Ook NOS-eindredacteur Marloes Elings en de redactie van de Wereldomroep werden door hem benaderd. (Toen de NOS toehapte, trok Hillman het aanbod aan de Wereldomroep weer in.)

Overdiek: "Hillman legde uit dat Gates zich zorgen maakte over het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Ik vroeg of het om een televisie-interview ging, maar het moest op de radio, want Gates was op een privébijeenkomst en kon alleen telefoneren. Ik ben naar de studio gegaan. Om zes uur mocht ik een nummer bellen: ik kreeg Bill Gates aan de lijn en toen hebben we het interview opgenomen." Ook Volkskrant-journalist Peter de Waard mocht Gates "een klein half uur" interviewen. Een collega van Hillman benaderde intussen NRC Handelsblad en nrc.next om een opiniestuk aan te bieden.

De Gates Foundation is de grootste goededoelenorganisatie ter wereld. Ze telt naar eigen zeggen een kleine duizend medewerkers. Sinds de oprichting is onder het motto "all lives have equal value" in totaal 26,19 miljard dollar weggegeven, waarvan meer dan de helft aan het programma 'gezondheid wereldwijd' en bijna een kwart aan projecten in de Verenigde Staten. Volgens filantropie-expert en communicatieadviseur Timothy Ogden is het een 'understatement' om de stichting 'groot' te noemen: de Gates Foundation geeft jaarlijks zes keer zoveel uit als de grootste organisatie met vergelijkbare doelen. Dat zou volledig achter de schermen kunnen gebeuren, maar Bill Gates duikt regelmatig op in de media. Soms met een ingezonden brief, zoals in deze krant, en soms als interviewkandidaat. Volgens Hillman ging er aan het Nederlandse mediaoptreden geen verzoek van Novib of een andere hulporganisatie vooraf: "Het was mijn idee en het was Bills beslissing."

Het Nederlandse publiek heeft weinig invloed op de onderhandelingen in het Catshuis: was het niet logischer geweest als Gates direct met Mark Rutte had gebeld? Goede doelen, actiegroepen en andere ngo's wedden, om hun doel te bereiken, meestal op twee paarden: directe lobby achter de schermen en mediacampagnes om een onderwerp onder de aandacht te brengen bij een groter publiek. Hoewel een oorzakelijk verband tussen media-aandacht en politieke beleidsvorming moeilijk is aan te tonen, gaan zowel activisten als politici er doorgaans wel van uit dat het bestaat. Hillman: "Bill wilde aan Nederlandse belastingbetalers uitleggen dat hun geld echt een verschil maakt. En politici horen die stem natuurlijk ook."

Het is nieuw dat Bill Gates zoveel persoonlijk 'beschikbaar' is voor vragen en gesprekken, schreef het kritische blog GatesKeepers vorige maand. GatesKeepers, dat de Gates Foundation te weinig transparant vindt, publiceert links naar publieke activiteiten en optredens. "Bills pr-mensen willen kennelijk een vriendelijkere, zachtaardige Bill laten zien", menen de bloggers, die anoniem willen blijven. Hun post bevatte een link naar "alweer een geënsceneerde conversatie met Bill": een video-interview door The Wall Street Journal. Begin maart nam Gates zelf de rol van journalist aan door Thomas Friedman, columnist van The New York Times, in een 'conversatie' te interviewen op zijn blog thegatesnotes.com.

De mediastrategie van de Gates Foundation behelst meer. Zo sponsort de stichting journalistieke publicaties, radio- en televisiezenders (zie kader) en worden pr-bedrijven met namen als PR Newswire Europe, African Press Organization, Original text service en MediaNet Press Release Wire betaald om persberichten in allerlei talen bij persbureaus terecht te laten komen. Veel bedrijven, ngo's en ook ministeries maken gebruik van zulke diensten: de persbureaus sturen die 'reclames' tegen betaling met hun eigen kopij mee naar hun afnemers. Bij NRC bijvoorbeeld, dat tot eind 2010 een abonnement had bij ANP, verschenen dit soort pr-berichten tussen de reguliere kopij van ANP-redactie door, met de mededeling: "Dit is een origineel persbericht".

Sinds februari gebruikt Bill Gates ook zijn eigen blog thegatesnotes.com intensief als direct communicatiekanaal. Onlangs beantwoordde hij er vragen die via Twitter kunnen worden gesteld met de hashtag #askbillg. Morgen is er weer een 'live Q&A', over de rol van innovatie bij het redden van levens in Afrika. De stichting organiseert de sessie in samenwerking met de prestigieuze Stanford Universiteit.

"We gaan zo eens even bellen met Bill Gates, over bezuinigen op ontwikkelingshulp", twitterde Tim Overdiek om kwart over vijf op vrijdag, vlak voor het interview. "Het is natuurlijk pure lobby", zegt hij later over de actie van Gates. "Als je echt indruk wil maken, dan doe je dat via de media. Wij hebben het interview meteen op de website gezet, er melding van gemaakt in het Acht Uur Journaal, en het later ook nog uitgezonden in Met het oog op morgen: zo kreeg Gates een enorm podium." Op de vraag of de NOS iedere lobbyist met een boodschap zo'n groot podium verschaft, antwoordt hij: "Nee, natuurlijk niet. Maar het gebeurt niet vaak dat je de gelegenheid krijgt om Bill Gates te interviewen. Het feit dat de organisatie ons zelf benaderd heeft, maakt het extra bijzonder."

Of de lobby succesvol was, is nog maar de vraag. Het lijkt er nu op dat er 1 miljard gekort zal worden op ontwikkelingssamenwerking. Maar Jeremy Hillman kan in elk geval zeggen dat hij alles heeft geprobeerd.


De Gates Foundation sponsorde onder meer het Amerikaanse publieke tv-programma Newshour en het Britse dagblad The Guardian. Ze kregen elk enkele miljoenen. (Onafhankelijke) journalistiek is geen doel van de Gates Foundation. 'Advocacy and public policy' wel. Het geld was dus specifiek bedoeld voor producties over gezondheid wereldwijd en ontwikkelingshulp.

Newshour kreeg 3,6 miljoen dollar voor een reeks uitzendingen over 'gezondheid wereldwijd'. De journalist die verantwoordelijk was voor de programma's vertelde achteraf dat hij zijn best had gedaan om geen uitzendingen te maken over gezondheidsprojecten die óók werden gesteund door de Gates Foundation, om niet het verwijt te krijgen dat hij reclame maakte voor zijn donor. Dat dit min of meer lukte noemde hij een "prestatie, gezien de hoeveelheid programma's waar de stichting met haar vingers in zit". Columbia Journalism Review, een mediamonitor die de door Gates gesponsorde mediaprojecten tegen het licht hield, merkt op dat hierdoor de grootste donor in het veld ook niet kritisch werd onderzocht. Volgens CJR is de journalist medeverantwoordelijk voor die lacune.

The Guardian begon een speciale 'global development' website, waar het logo van de stichting boven staat. De krant wil hier "regeringen, instituten en ngo's verantwoording laten afleggen over de implementatie van de millenniumdoelen van de Verenigde Naties". Het profiel dat de krant schreef over Melinda Gates drie dagen nadat de site werd gelanceerd, was, in de woorden van CJR, bijna "hagiografisch" en minder kritisch dan een eerder stuk over de stichting.

Nog zeven blokken en je bent er
NRC Handelsblad / 16 februari 2012



Het strakke stratenplan van New York was 200 jaar geleden revolutionair en is dat nog steeds. Voorstanders vergelijken het met jazzmuziek. "Het grid is als een beat die altijd doorgaat."

» Meer

Het telt ruim tweehonderd straten, elf avenues, en duizenden hoeken waarop het verkeer voortdurend vastloopt. Het wordt bewonderd door toeristen vanaf wolkenkrabbers en helikopters, maar op de grond verguisd om zijn monotonie en voorspelbaarheid. Het is overzichtelijk en toegankelijk voor bezoekers van buitenaf, en voor wie blijft, wordt het al snel een alternatieve eenheid voor tijd en plaats: 'nog zeven blokken en ik ben er'; 'ik zie je op de hoek van 45 en 5'.

Het stratenplan van New York, het grid, bestaat tweehonderd jaar, en lokt al net zo lang extreme reacties uit. De bedenkers van het plan werden door hun tijdsgenoten ofwel geprezen om hun rationaliteit, ofwel beschuldigd van grootheidswaanzin. Voor de schrijver Henry James was het rooster 'de primaire topografische vloek'; Piet Mondriaan liet zich erdoor inspireren voor zijn beroemde schilderij Broadway Boogie Woogie. Met de tentoonstelling The Greatest Grid: The Master Plan of Manhattan 1811-2011, staat het Museum of the City of New York stil bij de geschiedenis van dit beroemde en controversiële project.

Aan het begin van de negentiende eeuw telde Manhattan nog geen honderdduizend inwoners, was de bebouwde kom beperkt tot de zuidpunt van het eiland, en bestond het verder hoofdzakelijk uit platteland en wildernis. Maar de havenstad groeide rap  tussen 1790 en 1810 alleen al was de bevolking verdrievoudigd  en grondbezitters raakten steeds vaker met elkaar in conflict. Er was een plan nodig om de groei in goede banen te leiden en het land zo efficiënt mogelijk te verdelen. In 1807 werd een commissie in het leven geroepen die vier jaar later haar plan presenteerde, in de vorm van een tweeënhalve meter lange kaart waarop de jonge ingenieur John Randel het New York van de toekomst had uitgetekend.

De kaart, die bekend kwam te staan als The Commissioners Plan, is onderdeel van The Greatest Grid. Zo ziet het eruit wanneer je een hokjesgeest laat projecteren op de weerbarstige werkelijkheid: gearceerde heuvels, bossen, en moerassen, in stippellijn weergegeven kronkelstraatjes, en daaroverheen een ruitjespatroon: elf loodrechte avenues lopen van noord naar zuid, en ontmoeten op hun weg 155 straten die loodrecht van oost naar west lopen. Hoe anders zien de plattegronden eruit van Europese steden, organisch uitgewaaierd rondom een stadskern of, zoals in het geval van Parijs, rijk aan diagonale boulevards, rotondes, pleinen, en parken. Het grid was een creatie, schrijft conservator Hilary Ballon in de bijbehorende catalogus: er was niets vanzelfsprekends, niets natuurlijks aan.

Het raster is geen uitvinding van de negentiende eeuw. De Griekse architect Hippodamus van Milete noemde het grid al in de vijfde eeuw voor Christus de 'ultieme manifestatie van rationaliteit en beschaving', en met een beetje fantasie zou je in de Amsterdamse grachtengordel een grid-in-een-boog kunnen zien. In Amerika waren Philadelphia en Savannah New York al voor geweest: ook die steden rolden zich uit als beslag in een wafelijzer. Het paste de jonge republiek: een grid was sober, efficiënt, en pragmatisch. 'Huizen met rechte gevels en rechte hoeken zijn het goedkoopst om te bouwen en het handigst om in te wonen', schreven de commissieleden in 1811 - in een democratisch, verlicht en rationeel land als Amerika hoorden diagonalen, cirkels en ovalen simpelweg niet thuis.

Wat New York zo bijzonder maakte, was de rigoureuze interpretatie van het grid: alleen de diagonaal van Broadway doorbreekt het ijzeren ritme. De verademing die Central Park nu biedt is een latere toevoeging. Ook opvallend was de toekomstvisie die uit het plan sprak: zoals de commissie zelf al aangaf bood het genoeg ruimte om 'een populatie die groter is dan enige andere populatie aan deze kant van China' te huisvesten. Tijdgenoten noemden het plan grandioos, en dat was geen compliment; maar wat in 1811 wilde speculatie had geleken, bleek in 1860 een conservatieve inschatting. De commissie rekende op 400.000 inwoners in 1860: het werden er 800.000. Inmiddels is dat aantal verdubbeld, en zijn de 155 straten uit het originele plan er 221 geworden.

Om het plan uit te voeren werden letterlijk bergen verzet. Het grid was de grote gelijkmaker: om de topografie van het eiland te temmen werden heuvels gehalveerd en valleien opgevuld. In The Greatest Grid is een litho opgenomen uit 1861 van een huis op de hoek van wat later 2nd Avenue en 42nd street zou worden: de straten zijn al uitgegraven maar het omringende landschap nog niet, en het huis staat eenzaam en fragiel op de overgebleven helling. Huizen, landerijen en natuurgebieden, allemaal moesten ze wijken voor het stratenplan: deze prachtige plekken werden door 'de geest der Vooruitgang vermorzeld', klaagde de dichter Walt Whitman omstreeks 1840. Maar het grid was ook een gelijkmaker op een andere manier: voor wie een huis wilde kopen stonden de dimensies in principe vast, ieders perceel was precies even groot.

In de loop van de twintigste eeuw werd Manhattan van een nieuwe topografie voorzien. Het eiland werd langzaam maar zeker volgebouwd, en in Midtown en Lower Manhattan verrezen de eerste wolkenkrabbers, gezamenlijk goed voor de skyline: wie nu vanaf Brooklyn of New Jersey naar Manhattan kijkt, ziet een heuvellandschap van glas, steen en staal.

The Greatest Grid bestrijkt niet alleen het verleden, maar ook het heden en zelfs de toekomst van het stratenplan, met futuristische ontwerpen voor het Manhattan van de eenentwintigste eeuw. Eigenlijk is het grid altijd een projectie geweest: eerst van de stadplanners die het op de wildernis van Manhattan projecteerden, en, eenmaal gebouwd, van voor- en tegenstanders die het als symbool zagen van rationaliteit, vooruitgang, destructie, speculatie, of regulering. In de jaren zeventig van de vorige eeuw bezong de Nederlandse architect Rem Koolhaas het grid in zijn boek Delirious New York: het was juist de vaak zo verguisde uniformiteit van het grid die had aangezet tot gevarieerde, creatieve architectuur. Voor criticus John Kouwenhoven was Manhattan de stedenbouwkundige versie van jazzmuziek: het grid is als een beat die altijd doorgaat, zodat de gebouwen als solos volop kunnen improviseren en experimenteren. Misschien is dat wel de belangrijkste eigenschap van het stratenplan: dat het al tweehonderd jaar zoveel verschillende verhalen tegelijkertijd vertelt, voortdurend, en aan iedereen.

'The Greatest Grid: The Master Plan of Manhattan, 1811-2011'. T/m 15 juli in The Museum of the City of New York.

Eet uit de hand
de Volkskrant / 30 augustus 2011



Een dieet van vrijwel alleen fruit, dat is het ideaal van de fruities op een festival in Woodstock. Voedsel koken zou schadelijk zijn.

» Meer

In de ideale wereld van Douglas Graham (58) is het koken van voedsel verboden. Iedereen eet er rauw - voedsel fruit, voornamelijk, en bladgroenten - en mensen zijn fit, gezond, en gelukkig. 'We zijn gemaakt om fruit te eten,' zegt Graham, een Amerikaan met grijs haar in een staartje. Hij lepelt zijn ontbijt naar binnen: zes papaya's. 'We houden van zoetigheid, we kunnen fruit verteren zonder dat we het moeten verhitten of fermenteren, en vruchten passen precies in onze handen. We zijn fruitarians.'

Graham is de eregast op het Woodstock Fruit Festival, een festival van een week in de bergen van upstate New York, dat dit jaar voor het eerst plaatsvindt. In de eetzaal staan lange tafels met dozen vol pruimen, perziken, papaya's, appels, peren, druiven, en kersen; op de grond, pitten, schillen, en klokhuizen. De eetzaal ruikt naar de binnenkant van een smoothie; de geur van de Thaise doerianvrucht achtervolgt je overal.

De ongeveer tweehonderd bezoekers van het festival zijn voortdurend fruit aan het eten - en als ze niet eten, dan rennen of fietsen ze, of gaan ze naar lezingen van Graham en andere zelfbenoemde 'fruitpioniers', zoals skateboarder Chris Kendall of ultraloper Michael Arnstein.

Op dit festival blijkt dat eten in het Westen allang niet meer om overleven alleen gaat: hoe en wat je eet is ook een leefstijl, een ethische keuze, of zelfs bijna een religie. De bezoekers omschrijven Graham als hun goeroe, held, leraar; ze hebben de missiedrang van de kersverse bekeerling.

Graham is de bedenker van het '80/10/10-dieet'. Het idee er achter - meer gebaseerd op ervaring en anekdote dan op wetenschappelijk onderzoek - is dat koken schadelijke stoffen produceert; dat ons lichaam simpelweg niet gemaakt is om zuivel, vlees, en vis te consumeren; en dat je in principe alle voedingsstoffen die je nodig hebt kan binnenkrijgen door heel veel fruit en bladgroenten te eten (80/10/10 slaat op de verhouding koolhydraten, vetten en eiwitten). Klinkt extreem, maar Graham adviseert en traint al jaren topsporters, die puur op zijn dieet steeds betere resultaten behalen. Ook festivalorganisator Michael Arnstein zweert erbij: sinds hij enkel nog fruit en groenten eet, loopt hij de ene na de andere ultraloop uit, en eindigt hij vaak hoog bovenaan.

Geen alcohol en drugs, maar fruitsappen en runner's high zetten hier de toon. Het publiek - Amerikanen, Canadezen, Australiërs en Europeanen met een gemiddelde leeftijd van eind 20, begin 30 - bestaat uit een mengeling van topsporters, veganistische hippies, en mensen die om gezondheidsredenen bij het raw vegan dieet zijn uitgekomen. Bill Cox, een 54-jarige mijnwerker uit West-Viriginia, kwam twee jaar geleden maar niet van zijn nierstenen af: 'Op het internet las ik over 80/10/10, en ik besloot het te volgen.' In Woodstock hoopt Bill advies te vinden over het omgaan met verlangens -'want soms heb ik zin in een donut, en dan eet ik er ook een' - en met je omgeving. 'Niet iedereen begrijpt het. Wanneer ik naar m'n werk ga, doe ik mijn smoothies in een thermosfles, anders krijg ik voortdurend commentaar.'

Toen Sjef (32) en Wilma (30) van Dongen een paar jaar geleden na een expatbestaan in Brazilië met ernstige maag- en darmklachten terug naar Nederland keerden, kwamen specialisten met diagnoses als de ziekte van Krohn en prikkelbare darm. Wilma: 'We kregen zware antibioticakuren voorgeschreven en ze stelden zelfs voor een stuk van onze darm te verwijderen. We lazen de medische verslagen over zo'n ingreep; daaruit bleek dat het niet eens per se helpt.' Ze besloten het over de alternatieve boeg te gooien en kwamen uiteindelijk uit bij het fruitdieet. Wilma: 'Aanvankelijk verklaarde onze omgeving ons voor gek: we waren doodziek en broodmager, en besloten alleen nog maar fruit te eten!' Maar het hielp, volgens de twee: inmiddels zijn ze kerngezond - en wonen ze weer in Brazilië, waar ze hun eigen fruitplantage hebben opgezet.

'We zijn momentum aan het opbouwen', zegt Douglas Graham. 'De versafdelingen in supermarkten worden steeds groter, steeds meer mensen zijn geïnteresseerd in vegetarisch, veganistisch, en rauw voedsel; ik krijg steeds meer verzoeken van topsporters en teams om ze te begeleiden.' Hij wijst naar een groepje jongens dat een schaal mango's verorbert. Éen van hen draagt een T-shirt waar in grote roze letters Peace, Love, and Seasonal Fruit opstaat. 'De mensen hier zijn de ambassadeurs. Zie je hoe gezond ze eruit zien? Zij laten de wereld weten hoe goed deze leefstijl is. Er komt een moment waarop 80/10/10 net zo mainstream is als ademen en slapen.'

Zoom uit, en je ziet: met de kranten gaat het zo slecht nog niet
De Nieuwe Reporter / 14 Juni 2011



'Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar,' schreef Leo Tolstoj in Anna Karenina, 'maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.' Wat in 1875 voor Russische gezinnen gold, gaat in 2011 op voor de krantenwereld: het zijn woelige tijden, maar de wind waait overal anders. Dat, althans, was de conclusie van The Changing Business of Journalism and Its Implications for Democracy - een boek waarvan de bevindingen eind mei werden gepresenteerd tijdens de jaarlijkse conferentie van de International Communications Association.

» Meer

Bezinning en Reflectie
Vijf dagen lang kwamen media- en communicatiewetenschappers in Boston bijeen om de laatste inzichten op het gebied van, zeg, computerspelletjes, gezondheidscampagnes, databases, en de stand van de krant te bespreken. Dat klinkt spannender dan het was: het academisch hart klopt langzamer dan dat van de rest van de wereld, en zorgvuldigheid en nuance zijn de norm. De Duitse, Britse, Amerikaanse en Indiase professoren die in Boston hun bevindingen presenteerden brachten geen radicale toekomstvoorspellingen of ongegronde doemdenkerij, maar bezinning en reflectie - de crisis van de journalistiek heeft vele gedaanten, en is ingewikkelder dan je denkt.

Changing Business
Rasmus Kleis Nielsen en David A. Levy van het Reuters Institute in Oxford openden het panel met een weergave (of was het inmiddels een karikatuur?) van het algemeen heersende beeld. Volgens dat beeld veroorzaakt technologie (lees: het internet) de dood van de journalistiek, en is de rest van de wereld hetzelfde lot beschoren als de eeuwige voorloper Amerika  krimpende redacties, opgeheven kranten, een verschralend medialandschap en een vervlakkend publiek debat.

Post Hoc is nog geen Propter Hoc
Een oppervlakkige blik op de cijfers lijkt die consensus te staven: internetgebruik stijgt gestaag, krantenoplages dalen. Maar post hoc betekent niet propter hoc: zoom een beetje uit en je ziet dat ook andere factoren een rol spelen, zoals een wereldwijde recessie en sociale en demografische veranderingen. Wie nog wat verder uitzoomt ziet dat oplages lang niet overal even sterk dalen; zoom helemaal uit, en in ontwikkelende landen blijkt de krantenindustrie juist enorm te groeien, recessie of niet.

Duitse kranten doen het beter dan Amerikaanse
Je kan ook verder inzoomen, op die cijfers. Nielsen en Levy deden dat voor Duitsland en Amerika, in 2007 en 2009. In beide landen groeide het aantal internetgebruikers ongeveer even sterk: van 51 naar 65 procent in Amerika, van 50 naar 64 procent in Duitsland. En in beide landen veranderde het krantenlandschap - maar die veranderingen liepen niet parallel. Winstmarges daalden met 30 procent in Amerika tegenover 10 procent in Duitsland; oplages gingen in Amerika met 15 procent omlaag, en in Duitsland slechts met 4 procent. En waar Amerikaanse redacties tussen 2007 en 2009 maar liefst 25 procent van hun werknemers ontsloegen, verloor in Duitsland slechts 1 procent van het journaille zijn baan.

Verschillende verdienmodellen
Om de zogenaamde krantencrisis te verklaren is het internet dus niet voldoende, aldus Nielsen en Levy. Een belangrijke verklaring ligt in de verschillende verdienmodellen in de Verenigde Staten en Europa: waar Amerikaanse kranten grotendeels op advertentie-inkomsten draaien, zijn Europese kranten slechts half van advertenties afhankelijk - en voor de andere helft van losse verkoop en abonnementen. Advertentie-inkomsten zijn sterk gedaald, deels door de recessie, maar ook door de komst van sites als Monsterboard en Craigslist. Dus ja, technologie speelt een rol - maar dan wel een specifieke toepassing van die technologie.

Persistent plurality
Ook belangrijk is het feit dat Europese kranten van oudsher beter gewend zijn om te concurreren: per land, provincie en stad hebben altijd meerdere titels om lezers gestreden, terwijl het Amerikaanse krantenlandschap eerder uit een aaneenschakeling van geografische monopolies bestond. Wie soundbyte, blijft: Nielsen en Levy noemen dit Europese fenomeen persistent plurality, en wijzen het aan als een van de redenen dat Europese kranten beter met de 'crisis' kunnen omgaan.

Duitsers geloven in publieke sfeer
Frank Esser, Michael Brüggemann en Edda Humprecht van het Institut für Publizistikwissenschaft und Medienforschung van de Universiteit van Zürich onderzochten de situatie in Duitsland - qua oplagen, advertentiebudgetten, aantal journalisten en aantal nieuwskanalen de grootste mediamarkt van Europa. Dankzij een stabiele marktstructuur, directe en indirecte overheidssubsidie, en een diepgeworteld geloof in het belang van een publieke sfeer staat die markt er een stuk beter voor dan in de meeste Westerse landen, ontdekten zij. Ruim 70 procent van de Duitsers leest een krant, en 43 procent van de bevolking noemt de krant als de meest betrouwbare nieuwsbron. De overheid helpt de kranten een handje door posttarieven en belastingen aan te passen, en ook door wet- en regelgeving met betrekking tot auteursrecht en publieke zendtijd in het voordeel van de uitgevers en publieke media te beslechten.

Een strategische crisis
Im Osten is er dus eigenlijk nicht viel neues: het gaat iets slechter, maar lang niet zo slecht als het zou kunnen gaan, en al helemaal niet zo slecht als elders. Toch, een beetje crisis houdt ons wakker, en een soundbyte doet het altijd goed; de onderzoekers spraken daarom van een 'strategische crisis'. Mensen onder de dertig talen aanzienlijk minder naar traditionele mediabronnen dan hun oudere landgenoten, dus in de toekomst gaan dingen zeker veranderen. Maar doordat de schade nu relatief meevalt, en doordat de overheid zo goed helpt, denken Duitse kranten weinig vooruit. Dat ze nu het vertrouwen van de bevolking hebben wil niet zeggen dat dit over twintig jaar nog steeds zo is - een beetje vooruitdenken zou de Duitsers niet misstaan.

Panic and beyond
Waar Duitsland zich wat drukker zou moeten maken, daar mag Amerika best wat rustiger ademhalen, zei Michael Schudson van de Columbia Journalism School. Toen een jaar of twee, drie geleden kranten als de Rocky Mountain News, Seattle Post-Intelligencer en de Cincinnatti Post werden opgeheven, was de voorspelling dat veel Amerikaanse steden het binnenkort zonder lokale dagkrant moesten stellen. Dat is reuze meegevallen: voor wie er een beetje een rekbare definitie van 'dagkrant' op nahoudt (volgens welke zo'n krant niet per se zeven dagen per week hoeft te verschijnen en ook niet per se op papier) blijkt elke Amerikaanse stad nog tenminste één krant te hebben - ruim 1400 verschillende kranten in totaal.

Aantal krantentitels in VS daalt al zestig jaar …
Hoewel dat aantal zeker kleiner is dan een paar jaar geleden, moet je niet vergeten dat het aantal titels al sinds de jaren vijftig aan het dalen is, onder meer door conglomeratie. Niet dat er niets is veranderd: de kranten zijn dunner geworden, ze bevatten minder nieuws, en in het bijzonder minder internationaal nieuws. Ze maken ook minder winst  ooit stond het drukken van een krant gelijk aan het drukken van geld. De tijd van winstmarges rond de 25 procent is voorbij en komt ook nooit meer terug, en de 40.000 journalisten van nu steken mager af bij de 60.000 van een jaar of tien geleden (hoewel het er in de jaren zeventig óók 40.000 waren).

… maar journalisten zijn kritischer en professioneler
Toch, zei Schudson, buiten het financiële plaatje om staat de Amerikaanse journalistiek er in veel opzichten beter voor dan ooit. Journalisten zijn professioneler dan een halve eeuw geleden, een stuk kritischer ook, en agressiever tegenover de gevestigde orde. Dat de krant een publieke functie vervult staat niet alleen voor de kranten zelf, maar ook voor de samenleving en de politiek buiten kijf, en dankzij wet- en regelgeving omtrent transparantie hebben journalisten veel meer toegang tot informatie dan in bijvoorbeeld de jaren zestig.

'Journalism on a diet with supplements'
Ook Schudson had een byte: het huidige medialandschap omschreef hij als 'journalism on a diet with supplements'. De traditionele kranten zijn vermagerd - minder papier, minder journalisten, minder nieuws - maar worden aangevuld met nieuwe online nieuwsbronnen als Propublica. Dit soort organisaties, waarvan de Verenigde Staten er inmiddels tientallen tellen, slagen er in samenwerking met traditionele media en met hulp van filantropische instellingen in om actueel en origineel nieuws te leveren. Zo bezien heb elk nadeel z'n voordeel: deze sites zijn doorgaans opgericht door journalisten die hun baan hebben verloren, en dankzij laptops, internet, en mobiele telefoons kunnen zij meer voor elkaar krijgen in minder tijd en met minder mankracht.

De technologie heeft een Januskop - of, zoals Schudson het omschreef: 'Google is a great research assistant'. En het heeft er alle schijn van dat de huidige werkelijkheid ook die van de toekomst zal zijn: de Amerikaanse journalistiek is op dieet, maar voorlopig nog lang niet dood.

'Bollywoodizing' the news
Na Europa en de Verenigde Staten was het tijd voor de rest van de wereld, en deed Daya Thussu van de University of Westminster verslag van de situatie in India. Daar gaat het in financieel opzicht uitstekend met de journalistiek: per dag worden er ruim 110 miljoen kranten verkocht, en dankzij toenemend alfabetisme en een groeiende middenklasse blijft dat cijfer waarschijnlijk nog wel even stijgen. De televisie is sinds twintig jaar niet meer in handen van de overheid: inmiddels zijn er ruim 88 televisiezenders, en een groot aantal daarvan maakt ruimte voor nieuws.

India: Cinema, Cricket en Corruptie
Toch, zei Thussu, heeft ook India een journalistieke crisis, en die crisis betreft de inhoud van het nieuws dat al die kranten en televisiekanalen brengen. In Thussu's termen bestond die inhoud uit 'the three C's': Cinema, Cricket, en Corruptie. Indiërs leven op een sensationeel mediadieet van Bollywood-celebrities, sporthelden en berichtgeving over criminaliteit en corruptie (de criminaliteit was nog nooit zo laag in India, zei Daya, maar wie de televisie aanzet denkt dat het land van de ene moord in de andere oplichting rolt). Journalistieke, objectieve nieuwsgaring legt het af tegen platte sensatiezucht  met als gevolg een pover publiek debat en, uiteindelijk, een verzwakking van de democratie.

Democratie
Hoewel Thussu hier eerder als een oude mopperkont klonk dan als een objectieve wetenschapper (alsof Europa en de Verenigde Staten van sensatie verstoken zijn), was dit een van de weinige keren dat het woord democratie in het panel centraal stond. Dat was ook het belangrijkste kritiekpunt van Paolo Mancini van de Universita Degli Studi di Perugia, die als respondent optrad. In een discussie over de stand van de media, zei hij, zou democratie niet de haastig toegevoegde gedachte op het eind moeten zijn, maar het uitgangspunt. Het medialandschap verandert, zoveel is duidelijk; en de veranderingen zijn overal anders, getuige jullie genuanceerde onderzoek.

Maar wat betekent dit voor politieke normen en waarden? Voor politieke partijen en hun leden? Voor hoe de overheid haar werk kan doen? Zowel de panelleden als het publiek waren het met Mancini eens dat dit belangrijke vragen waren  onderwerp, wellicht, voor een ander boek, een volgend panel. En zo houdt de wetenschap zichzelf wel even bezig, met eeuwige crises en radicale nuance: want iedereen is anders, en God woont in de details.

Online-delen: waarom iedereen het doet
Vrij Nederland / September 2010


Illustratie: Gijs Kast

Delen wat je doet, denkt en voelt is dé online activiteit geworden. Waarom willen we dit massaal, en wat verlangen we er ' heimelijk ' voor terug?

» Meer

Grappig, hoe woorden werken. Als je niet beter wist, zou je denken dat Web 2.0 (het internet van platforms en gemeenschappen) een wondere wereld is van 'vrienden', die constant dingen 'leuk vinden'. Alsof je even met je ogen knipperde en plots al het chagrijn, alle vijandigheid en individualisme hadden plaatsgemaakt voor hippieachtige saamhorigheid. Het mooiste van alles: dat al die vrienden meer dan bereid zijn de leuke dingen met jou te 'delen'. Community, Friends, Like, Digg: op sociale netwerksites bestaan geen Enemies en kun je ook geen dingen Disliken. De duim is altijd opgestoken, Utopia is hier: buiten tweeten de vogeltjes, en in de zachtblauwe omgeving van Facebook sharen we, onbaatzuchtig en aan de lopende band, alles wat voorhanden is.

Delen - sharing - lijkt de meest gebezigde online activiteit van het moment: met één druk op de knoppen van Twitter, Facebook of onze mobiele telefoons 'delen' we met onze vrienden niet alleen links naar filmpjes, artikelen en muziek; we 'delen' ook onze stemming, waar we ons bevinden, wat we aan het doen zijn en wat we zien. 'Voor de millenniumgeneratie,' schreef het Amerikaanse onderzoeksinstituut PEW Research Center for Internet & American Life vorige maand, 'zal het online delen in netwerken een levenslange gewoonte worden.'

Oversharing

Ver weg lijkt de ophef rondom illegal file sharing; weg zijn de zorgen over ofwel de anonimiteit, ofwel het gebrek aan privacy die met een online leven gepaard gaan. Tuurlijk, deze zomer nog werd de file-sharing website LimeWire aangeklaagd door acht giganten uit de muziekindustrie, waaronder Sony en EMI; en ook tegen file-sharing website The Pirate Bay liep vorig jaar een rechtszaak. Over auteursrecht wordt nog wel gemord en het woord oversharing is ook al hier en daar gevallen - vooral in verband met persoonlijke gegevens als adres, creditcard en vakantiedata.

Tegelijkertijd moedigen steeds meer grote bedrijven je nu juist aan om te delen: van grote kranten tot obscure bandjes die hun muziek via MySpace en YouTube onder de aandacht willen brengen. Toen eerder dit jaar een internationaal gezelschap van politici en privacywaakhonden zich beklaagde over Facebooks onduidelijke privacybeleid en over nieuwe applicaties waarbij informatie over gebruikers ook bij andere websites terechtkwam, versimpelde het bedrijf de privacyinstellingen. 'Wanneer mensen controle hebben over wat ze delen, dan willen ze meer delen,' zei oprichter Mark Zuckerberg. 'En wanneer mensen meer delen, wordt de wereld opener en meer verbonden.' Daarmee was de kous kennelijk af: deze zomer haalde het sociale netwerk haar vijfhonderdmiljoenste lid binnen. Delen lijkt belangrijker dan privacy: delen is goed, delen is hip en iedereen doet het.

Zo deelt, op een willekeurige Facebookochtend, een collega uit New York een link naar een krantenartikel over bedwantsen, delen maar liefst vijf vrienden een link naar een online multimedia experiment van The Arcade Fire, en deelt een oude studievriend het goede nieuws dat zijn tumor niet verder is uitgezaaid (44 people like this, zegt Facebook). Op Flickr - 'deel je foto's, bekijk de wereld' - deelt een vriendin diezelfde ochtend het uitzicht vanuit haar Berlijnse hotelraam en op Twitter - 'stelt je in staat te delen en te ontdekken wat er op dit moment gebeurt' - deelt bestsellerauteur J.K. Rowling mee dat ze zich de komende tijd vooral met pen en papier bezig zal houden. Op de website van The New York Times lees ik een artikel over president Obama die de gevechtsmissie in Irak beÎindigd verklaart: onderaan staan acht knoppen waarmee ik dit artikel op allerhande online platforms kan delen; een balk rechts op het scherm vertelt me welke artikelen mijn Facebookvrienden onlangs nog hebben gedeeld.

Het beste in de mens

De alomtegenwoordigheid van het woord 'delen' lijkt toepasselijk voor een medium dat vanaf het begin werd geassocieerd met het idee dat informatie zowel gratis als vrij moest zijn. En al deel ik een link met vierhonderd vrienden, ik zal er zelf geen seconde minder van kunnen genieten. Kiezen of delen, heette het vroeger; bij het nieuwe delen kun je je koekje houden en opeten.

Wie de grote optimistische internetdenkers erop naleest, kan haast niet anders dan concluderen dat Web 2.0 het beste in de mens naar boven haalt. Kijk maar naar Wikipedia of Linux, zeggen wetenschappers als Henry Jenkins van het MIT (Massachusetts Institute of Technology), Yochai Benkler van Yale en Clay Shirky van de NYU. Die toepassingen, waarbij mensen geheel vrijwillig en zonder tegenprestatie samenwerken om een online encyclopedie en open source software te produceren, bewijzen dat een mens méér is dan de rationele, calculerende, individualistische homo economicus, voor wie de klassieke economische theorie hem lang hield. Kijk maar, zeggen ze, het internet bewijst het: we willen best belangeloos iets doen, we kunnen heus wel delen zonder een tegenprestatie te verwachten.

Maar sommige woorden hebben meer dan één betekenis. Misschien was het beter geweest om, in plaats van over 'delen', over 'communiceren' te spreken. Het online delen dat zich afspeelt op websites als Facebook, Delicious, StumbleUpon, Twitter, Digg, Reddit, LinkedIn, Yahoo Buzz, en MySpace, is niet hetzelfde als het delen van materiÎle zaken als een koekje of een stuk brood: het is het delen van informatie. Wie informatie deelt, maakt eigenlijk een kopie van de informatie die hij zelf heeft en geeft die kopie weg. Wanneer de kosten van reproductie nihil zijn - zoals in een digitale omgeving het geval is - hoef je feitelijk niets op te offeren. Sterker nog, zeggen de proponenten van een open, vrije internetcultuur: hoe meer informatie er wordt gedeeld, des te meer profijt alle betrokkenen er uiteindelijk van hebben. De tragedy of the commons - het idee dat individuen uit eigenbelang keuzes maken die er uiteindelijk voor zorgen dat gemeenschappelijke goederen aftakelen of kapotgaan - gaat in het geval van informatie dus niet op.

Eeuwenoude praktijk

Het delen van informatie is verre van nieuw. Zo verscheen de eerste Amerikaanse krant, Publick Occurences, in 1690 met een lege pagina waarop lezers het nieuws van commentaar konden voorzien. Aangezien één exemplaar vaak verscheidene lezers had (kranten lagen bijvoorbeeld in cafÈs, waar ze regelmatig hardop werden voorgelezen), kon de ene lezer zo de volgende ergens op wijzen of aanvullende informatie verstrekken.

In de achttiende eeuw stuurden goudzoekers wanneer ze op een nieuwe bestemming waren aangekomen lokale kranten naar thuisgebleven familie en vrienden: de krant fungeerde zo niet alleen als informatiemedium, maar ook als communicatiemiddel, zoals een ansichtkaart of een sms-bericht. Brievenschrijvers voegden kranten bij hun correspondentie: de vierde Amerikaanse president James Madison stuurde met de brieven aan zijn vader een krant mee, opdat die op de hoogte kon blijven van wat zich in het Congres afspeelde. Madisons voorganger Jefferson spoorde uitgever Benjamin Franklin Bache aan om alle advertenties in zijn krant, General Advertiser, op één pagina te plaatsen; op die manier kon de andere pagina, die met het nieuws, gemakkelijk worden afgescheurd en verstuurd. Delen was in die tijd ook een heel normale activiteit voor kranten onderling: de meeste kranten gingen niet op zoek naar nieuwtjes, maar drukten af wat ze aangeleverd kregen - van lokale bewoners, of van andere kranten.

Het delen van een krantenartikel op een sociale netwerksite is zo bezien gewoon een voortzetting van een eeuwenoude praktijk. Hetzelfde geldt voor dat andere medium dat gretig wordt gedeeld: fotografie. Op photo sharing website Flickr worden zo'n zesduizend foto's per minuut geplaatst door mensen die hun afbeeldingen met de rest van de wereld willen delen. (De vangst van een willekeurige Flickrochtend: vakantiefoto's van iemand die zichzelf 'Desireland' noemt en die kennelijk in Engeland op fietsvakantie is geweest; een portret van een jongen in een gestreept T-shirt en met een tagoeage van fotograaf '002020'; en een Happy Meal op een terrasje van de jonge Japanse Takamasa Oe.)

Nu zou je die overvloed kunnen toeschrijven aan het gemak waarmee je met een digitale camera of telefoon foto's kunt maken en versturen, maar delen is bijna altijd inherent geweest aan het medium. De eerste foto's, de daguerreotypieÎn van begin negentiende eeuw, waren unieke exemplaren; je liet ÈÈn portret maken, en dat was het dan. Maar al snel was de techniek zodanig gevorderd dat je van één negatief verscheidene afdrukken kon maken, en aan het eind van de negentiende eeuw was de carte de visite - een portretfotootje dat mensen van zichzelf lieten maken en uitdeelden aan vrienden en kennissen - al behoorlijk ingeburgerd. De speciale albums waarin cartes de visites werden opgeborgen, zijn als een vroege versie van Facebook: een verzamelplaats voor afbeeldingen van al je vrienden en kennissen.

Online imago

Deels lijkt er aan het nieuwe delen dus weinig nieuws. Toch is er, met de technologie, wel degelijk iets veranderd. Snelheid en reikwijdte zijn exponentieel gegroeid: waar een krantenartikel vroeger vier dagen onderweg was, daar kun je het laatste nieuws over bed bugs nu binnen een seconde met zoveel vrienden delen als je maar wilt.

Bovendien is niet altijd even duidelijk met wie je precies deelt. Vroeger liet je bij een bekende een carte de visite achter, of bladerde je samen met je geliefde door een familiealbum: hoe dan ook wist je heel goed wie welke foto's zag, wie de zender was en wie de ontvanger. Online werkt dat anders: het internet is, zoals de Amerikaanse internetkenner Clay Shirky al schreef, geen massamedium en ook geen communicatiemedium, maar beide ineen. Hierdoor lijkt het publiek voor persoonlijke, alledaagse boodschappen eindeloos groot. Natuurlijk hebben de meeste mensen een relatief selecte groep vrienden of volgers met wie ze online in contact staan, maar dan nog: wanneer ik een foto op Facebook zet, dan weet ik niet wie van mijn driehonderdvierentwintig vrienden die foto heeft gezien en wie niet. Zo kleeft er een fundamentele onzekerheid aan het online delen en die onzekerheid beïnvloedt weer wát we precies delen.

Om te beginnen worden mensen steeds strategischer met wat ze op internet plaatsen en gaan ze steeds bewuster om met hun online imago. Zo bleek onlangs uit onderzoek van het Amerikaanse PEW Research Center dat een meerderheid van de jongeren actief bezig is met het verwijderen van wall posts en tags, en dat ze zelfcensuur toepassen wanneer het op online delen aankomt. Wie deelt, laat zien waar hij voor staat: een online imago bestaat bij de gratie van links en posts, en kan soms aardig verschillen van het offline imago.

Tegelijkertijd is de behoefte aan feedback groot: pas wanneer één of meer mensen mijn foto 'leuk vinden', of, nog beter, die foto van commentaar voorzien, weet ik zeker dat hij is gezien. Het is een beetje als met die vallende boom in een bos waar verder niemand is: als ik een foto op Flickr zet en niemand ziet 'm, heb ik 'm dan wel gedeeld? Niet voor niets is de term 'vaguebooking' uitgevonden voor het plaatsen van vage, onduidelijke berichtjes die vooral bedoeld lijken om een reactie uit te lokken - al was het maar in de vorm van een niet-begrijpend vraagteken. Ik wil best delen, maar dan moet dat delen wel erkend worden. De vraag is natuurlijk: als het me dan uiteindelijk vooral om die reactie te doen is, in hoeverre kun je dan zeggen dat ik belangeloos heb gedeeld? Verwacht ik dan niet tóch een tegenprestatie?

Gekke verhalen

De tegenprestatie die we verwachten wanneer we delen is emotioneel: we willen erkenning en verbondenheid. 'We delen om ons verbonden te voelen met anderen,' schreef het Journal of Consumer Research vorig jaar. Zo blijken samenwonende stellen die hun bezittingen gescheiden houden, zich minder een eenheid te voelen dan koppels die wel hun vuile was in één mand doen en bijvoorbeeld gezamenlijk investeren in een huisdier of in meubilair. Of 'virtuele collaboratieve consumptie' - bijvoorbeeld het delen van een link - eenzelfde effect heeft, moet toekomstig onderzoek uitwijzen, aldus het Journal; de resultaten die onderzoekers van de University of Pennsylvania eerder dit jaar publiceerden, wijzen in elk geval in die richting. Maandenlang hadden de onderzoekers bijgehouden wat de meest gemailde artikelen van de wesite van The New York Times waren. Daarbij bleken gebruikers liever positief nieuws te delen dan negatief nieuws en werden ingewikkelde en lange artikelen niet geschuwd: vooral wetenschappelijke verhalen waren populair. Waar de klassieke economische theorie doet vermoeden dat mensen voornamelijk recepten, tips om geld te besparen en andere 'nuttige informatie' zouden delen, bleken juist verrassende, indrukwekkende of gekke verhalen het goed te doen. De hypothese van de onderzoekers: mensen delen indrukwekkende verhalen omdat die de meest emotionele reacties uitlokken - en hoe emotioneler de reactie, hoe sterker het gevoel van verbondenheid.

Delen ligt in de oorsprong van het internet besloten: het uitwisselen van informatie via een netwerk van computers was waar het allemaal mee begon. Delen is goed, zo luidde de ethiek van de internetters van het eerste uur; information sharing is a powerful positive good, aldus een van de beginzinnen van het beroemde essay The Hacker's Manifesto uit 1986. Begin jaren negentig begonnen internetgebruikers bookmarkfiles - lijstjes met websites die ze nuttig of interessant vonden - op het internet te publiceren. Uit dit fenomeen zouden later de eerste, op samenwerking gebaseerde, zoekmachines ontstaan. Delen heeft naast een emotioneel dus ook een praktisch nut.

Bookmarksites als Digg, Reddit en StumbleUpon, maar ook sociale netwerksites als Facebook, blijven ook nadat je al je vierhonderd vrienden hebt gevonden, actief en aantrekkelijk. Dit komt onder meer doordat ze een alternatief bieden voor de zoekmachine. In plaats van te zoeken, vind je: je vindt wat mensen zoals jij belangrijk, interessant en grappig vinden - en wat jij derhalve waarschijnlijk ook belangrijk, grappig of interessant vindt. Voor sommige websites blijken sociale netwerksites als Facebook inmiddels een belangrijker bron van traffic dan zoekmachines. Door te delen, kun je ook weer gevonden worden door mensen met dezelfde interesses; je netwerk breidt zich uit en verdiept zich.

Big business

Waar nut is, is geld, en zo is 'delen' niet langer een linksig woord waar grote bedrijven bezorgd om zijn, maar ook een potentiÎle bron van inkomsten. Jonge internetbedrijfjes als Blippy, Foursquare, Dopplr en Skimble zijn bedoeld om gebruikers zoveel mogelijk persoonlijke informatie te laten delen met anderen; bijvoorbeeld hoeveel geld ze hebben uitgegeven aan koffie, in welk cafÈ ze het meest komen en hoeveel kilometer ze hebben gerend. Andere internetstartups, zoals AddThis en ShareThis, leveren pakketjes van 'sharing buttons' aan grote websites; vervolgens verdienen ze geld door informatie over wie er deelt, hoeveel er gedeeld wordt en met wie, te verkopen aan die websites en hun adverteerders. Het op het oog zo belangeloze delen blijkt dus wel degelijk iets op te leveren: een groter netwerk, een gefilterd informatieaanbod, aandacht, of simpelweg geld.

Knipper nog een keer met je ogen, en alles blijkt toch redelijk bij het oude gebleven. Zoals wel vaker gebeurt met woorden en fenomenen die beginnen als een alternatief voor de massale consumptiemaatschappij, is ook 'delen' uiteindelijk opgepikt door de commercie en voor het driedubbele aan je terugverkocht. Van punkmode tot biologisch voedsel tot underground muziek: alles valt om te smelten tot handelswaar. Ook 'delen' is, oh ironie, big business, as usual.

Queeste naar authenticiteit
Vrij Nederland / Augustus 2010



De moderne toerist wil unieke ervaringen. Het is de vraag of die bestaan. 'Is een authentieke toeristische ervaring er niet júíst een als die van alle andere toeristen?'

» Meer

'En daar, dat is het buurthuis.' Hij zegt het niet echt, de oude man met de bewolkte ogen; hij spreekt geen Nederlands en ik geen Bahasa - het gaat van handen-voeten-wijs. Hij maakt het universele fotografeergebaar. Ik knik en klik, en word vakkundig naar de volgende attractie geloodst. 'Dat daar, dat is de school.' Weer een foto, de honderdste al vandaag: schoolkinderen in uniform glimlachen breed. Ik klik en klik - echt kijken doe ik al niet meer. Dat komt later wel, als ik thuis ben.

Er zijn een vlucht van Jakarta naar Ambon, een vaart met de pont van Ambon naar Saparua, en, tijdens een onophoudelijke regenbui, een tocht op een afgeladen motorbootje van Saparua naar Nusa Laut aan vooraf gegaan. Nusa Laut is een Moluks eilandje waar volgens de Lonely Planet een 'redelijk goed gepreserveerde ruïne van een Nederlands fort uit 1654' te vinden is, en waar de 'vriendelijke lokale leraar Engels een logeerplek zonder franje aanbiedt'. Het is ook het geboorte-eiland van mijn oma.

Eenmaal op Nusa Laut was ik achter op de brommer van een gespierde, zwijgzame jongen in een roze poncho geklommen - gedurende de anderhalf uur waarin we van het dorp Titawai naar de hoofdplaats Ameth reden, liet hij voortdurend scheetjes.

En dan sta je verregend en wel in Ameth - het dorp waar je oma is opgegroeid - en een oude man met dezelfde achternaam als zij stelt zich onmiddellijk aan je voor als opa Mailoa, je tourguide. Achtervolgd door de brommerrijder in de roze poncho en een paar nieuwsgierige familieleden lopen jullie in verrassend hoog tempo door het dorp. Hij wijst, jij schiet.

Na afloop krijg je zoete thee en een plak cake - 'Authentieke cake uit Ameth!' zegt een trotse buurvrouw - en dan begeleidt opa Mailoa je naar een speedbootje dat je terug naar Saparua zal brengen. Hij houdt zijn hand op, jij frommelt er wat briefjes in - geen idee hoeveel je geven moet. De regen klinkt als galopperende paarden. Tijdens de terugvaart vraag je je af wat je zojuist hebt meegemaakt. Was dit het authentieke Indonesië, heb jij de Molukken nu écht ervaren? Waarom schiet de frase 'Mailoa, Inc.' dan door je hoofd? En waarom voel je je meer dan ooit een lompe, fotograferende toerist?

Tragische figuur
'De moderne mens,' schreef de Amerikaanse socioloog Dean MacCannell in zijn klassieker The Tourist: A New Theory of the Leisure Class (1973), 'is op zoek naar authentieke ervaringen.' Zoals vroeger de pelgrim op zoek ging naar het heilige, zo verlangt onze seculiere tijdgenoot naar authenticiteit. Omdat de moderne samenleving nu eenmaal vervreemdend, oppervlakkig en nep is, moet het authentieke zich wel ergens anders bevinden: in andere tijdperken en andere culturen; in levensstijlen die eenvoudiger en puurder zijn'.

Gedreven door dat verlangen naar 'echtheid' en 'waarachtigheid' is de moderne westerling er steeds meer op uit getrokken. Wat in de achttiende eeuw begon met de elitaire Grand Tour door Europa, heeft, dankzij de technologische vooruitgang van begin twintigste eeuw en de naoorlogse economische groei, een enorme vlucht genomen. Inmiddels is toerisme een van de grootste industrieën ter wereld. Ongeveer tien procent van de wereldbevolking zou in de toeristenindustrie werkzaam zijn, er gaat jaarlijks ruim negenhonderd miljard dollar in om en per jaar zijn er meer dan achthonderd miljoen internationale aankomsten - een getal dat, volgens lobbyclub World Tourism Organization, de komende tien jaar zal verdubbelen.

Dat maakt de toerist volgens MacCannell zowel cultureel als financieel en geopolitiek tot dé figuur van het moderne tijdperk - maar ook, helaas, tot een tragische figuur. Want in plaats van een bad van authenticiteit om zich in onder te dompelen, treft de toerist doorgaans een infrastructuur die zo'n authentieke ervaring juist in de weg staat: in plaats van de familie Mailoa, Mailoa, Inc., tourbussen die je in alle vroegte, samen met andere toeristen, naar de Borobudur brengen. Georganiseerde, veilige wandeltochten naar de Machu Picchu. In plaats van een weergave van de 'echte' lokale cultuur, krijgt de toerist slechts een reflectie te zien van het toeristische verlangen daarnaar. En daarmee is de toeristische queeste naar authenticiteit, aldus MacCannell, een 'futiele zoektocht'.

'Het woord authenticiteit,' schreef de Amerikaanse criticus Lionel Trilling in 1971, 'wordt tegenwoordig zoveel gebruikt, en in zoveel verschillende verbanden, dat het nauwelijks nog te definiëren valt.' Er lijkt sindsdien weinig veranderd: alles wat de moderne consument wordt aangeboden, gaat er prat op echt, authentiek en origineel te zijn: van Echt Hema tot Als je borrelnootjes maar echt zijn. Met Big Brother werd eind jaren negentig duidelijk dat de hedendaagse beroemdheid vooral 'gewoon' moet zijn, en moderne politici geven aan het mandaat authentiek te zijn gehoor door om de haverklap te twitteren en te bloggen over hun alledaagse activiteiten. 'Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg,' zoals Pim Fortuyn al zei.

'Het is de paradox van de hedendaagse ervaringseconomie: hoe gekunstelder de wereld lijkt, des te meer we het "echte" eisen... Consumenten willen datgene wat boeiend, persoonlijk, en gedenkwaardig is - en bovenal, authentiek,' schreven James Gilmore en Joseph Pine in Authenticity: What Consumers Really Want (2007). Opgewekt beloofde de flaptekst dat het boek zou 'uitleggen hoe bedrijven hun producten als "echt echt" kunnen aanbieden': want wie 'aan de consumentenroep om authenticiteit gehoor geeft, is verzekerd van hun hearts and minds and dollars'.

Andere toeristen
Vóór de Molukken was ik op Java. Mijn reisgenoot en ik hadden er eerst een vriend opgezocht die in Jakarta woonde, en waren daarna per spoor doorgereisd naar Yogyakarta, een stad die zich een stuk beter leende voor ronddwalen door smalle steegjes dan de uit winkelcentra, snelwegen en sloppenwijken opgetrokken hoofdstad. Op onze eerste avond gingen we uit eten in het door onze Lonely Planet als 'populair onder locals' omschreven Milas. Het bleek een hippieachtige uitbating waar je allerlei organische en biologische toelie kon eten; het restaurant was afgeladen vol, en de ober rapporteerde dat er voorlopig geen tafel vrij zou komen ook. Een jong koppel uit Nieuw-Zeeland zat in kleermakerszit aan een lage tafel en gebaarde dat we wel mochten aanschuiven. Enigszins schoorvoetend - we waren toch niet naar Indonesië gekomen om ándere toeristen te ontmoeten - gingen we op de uitnodiging in. We zaten nog niet of het meisje haalde enthousiast haar Lonely Planet tevoorschijn, sloeg deze open bij de kaart van IndonesiÎ, en begon aan te wijzen waar zij en haar vriend al waren geweest en waar ze nog heen wilden. Toen mijn reisgenoot aankondigde dat hij Atjeh wilde bezoeken, trok ze bedenkelijk haar neus op; Lonely Planet leek dat gebied niet van harte aan te raden, er stonden maar weinig leuke tips over in. Waarop onze seitanbroodjes arriveerden en we elkaar volgens lokaal gebruik selamat makan wensten.

Je echte zelf
Het woord authentiek komt van het Griekse 'authentes', wat zowel 'autoritair' als 'eigenhandig' betekent. Met connotaties als 'echt', 'origineel' en 'oprecht', maar ook 'traditioneel,' werd authenticiteit een waarde waaraan sinds de Romantiek steeds meer werd gehecht. Romantische dichters en schilders bezongen de 'echtheid' van de wildeman, de boer, en de natuur . Ook het toerisme is, zo schreef de Zweedse historicus Orvar Lofgren in On Holiday: A History of Vacationing (1999), vooral een ontwikkeling die in de Romantiek begon. In de jaren zestig van de vorige eeuw was 'het authentieke' de tegenpool van de massamaatschappij waartegen men zich moest afzetten; India, Afghanistan, de kibboets en om het even welk platteland waren de plekken waar die authenticiteit te halen viel. Tegenwoordig vind je het verlangen naar authenticiteit niet alleen terug in reclames en politieke slogans, maar ook bij spiritueel getinte bewegingen als new age en mindfulness, die propageren dat je 'je echte zelf' moet vinden en dat je moet 'worden wie je bent'.

De toerist - door de Britse professor Frederick Ogilvie in 1933 gedefinieerd als 'iemand die minder dan een jaar ergens anders dan thuis vertoeft en onderwijl geen geld verdient' - is dan ook eerst en vooral een consument die, à la Gilmore en Pine, naar authenticiteit verlangt.

Dit geldt uiteraard niet voor ·lle toeristen: veel van de achthonderd miljoen internationale aankomsten waar de World Tourism Organization mee pronkt, zullen vooral ten dienste staan van zon, strand en friet van Piet. De door MacCannell omschreven toerist noemt zichzelf misschien ook liever 'reiziger' dan 'toerist': met reisgidsen als Not for Tourists Guide en Lonely Planet onderscheidt deze reiziger zich van het klootjesvolk dat slechts op zoek is naar plat vermaak. Ook reisvormen als ecotoerisme (goed voor milieu) en dark tourism (langs voormalige onheilsplaatsen), of diensten als Rent a Local Friend, spelen op die doelgroep in. Maar het hoogst haalbare lijkt daarmee te zijn dat je, in plaats van andere Nederlanders aan de Spaanse Costa, gelijkgestemde Nieuw-Zeelanders aan de Javaanse kust treft.

Het paradoxale - en ook het lastige - aan 'authentiek' is dat het zowel 'gewoon' en 'alledaags' lijkt te betekenen, alsook 'origineel' en 'anders'. Die twee waarden zijn moeilijk te rijmen: wil je het dagelijks leven in een Italiaanse dorp in al zijn banaliteit meemaken, of wil je een unieke ervaring? Voor de toerist op zoek naar dat eerste, geldt meteen een volgend probleem. Zoals de antropoloog de verhoudingen verstoort bij de rimboestam die hij wil onderzoeken, zo verandert de toerist het gebied dat hij bezoekt door zijn aanwezigheid. Ik zag het Nusa Laut dat opa Mailowa en de roze poncho me wilden laten zien; de kinderen in de school glimlachten zo breed omdat ik ze fotografeerde.

De toerist is op zoek naar de niet-toeristische plekjes, nog niet bezoedeld door andere reizigers, het zijsteegje en het pad buitenom. Het probleem is dat, hoe ver je ook buiten de gebaande paden treedt, je altijd sowieso één toerist met je meeneemt: jezelf. Daarmee is datgene wat je zoekt - de 'authentieke lokale cultuur' - als een fata morgana die zich voortdurend van je verwijdert.

En dan nog iets: als je er eenmaal bent, hoe weet je dan of je wel de juiste ervaring hebt? Zie je wel wat je moet zien, voel je wel wat je moet voelen? De Amerikaanse criticus Walker Percy schreef ooit over een man die op reis ging naar de Grand Canyon. Eenmaal aangekomen zag die man de Canyon helemaal niet echt: in plaats daarvan beoordeelde hij in hoeverre het gebergte overeenkwam met het beeld dat hij er zich al van had gevormd, op basis van foto's in vakantiefolders, de verhalen van andere toeristen en de aankondiging van de gids in de bus. Ook de Zwitserse filosoof Alain de Botton omschreef in zijn reismeditatie The Art of Travel (2002) hoe de indrukken die hij tijdens zijn reis naar Barbados opdeed - aankomsthal, taxi, reclameborden langs de weg naar het hotel, hotel - een échte ervaring in de weg leken te staan: 'De vele beelden... maakten het vreemd genoeg móéilijker voor me om het Barbados te zien waarnaar ik op zoek was.'

Het allerergste, aldus Percy, was nog wel wat de man deed toen hij eindelijk voor de Canyon stond: hij maakte een foto. 'Na veertig jaar mentale voorbereiding, en met de Canyon gapend aan zijn voeten, wat doet hij? Hij staat zijn recht om echt te zien en echt te kennen af, en legt symbolen vast voor de komende veertig jaar.' Susan Sontag schreef het ook al, in haar beroemde essay On Photography (1977): 'Het maken van foto's is een manier om ervaring te weigeren: ervaring wordt beperkt door de zoektocht naar het fotogenieke, en omgezet in een plaatje, een souvenir.' De fotograaf, voegde ze daaraan toe, is 'supertoerist'.

Cliché
Er is een foto van de Britse fotograaf Martin Parr, in 1990 genomen op het veldje voor de scheve toren van Pisa. Niet alleen de toren staat erop, maar ook, verspreid over het veld, talloze toeristen die poseren voor de camera's van hun reisgenoten. Allemaal doen ze of ze de toren omverduwen of juist tegenhouden; de foto laat daarmee in één klap de clichématigheid van de meeste vakantiefoto's zien - en daarmee ook die van de meeste vakantie-ervaringen.

Het cliché - de mal, de gemeenplaats, de banaliteit - lijkt de absolute tegenpool van het authentieke; het laatste wat de toerist wil is een ervaring als die van alle andere toeristen. Maar als 'authentiek' ook 'traditioneel', 'gewoon' en 'alledaags' betekent, is een authentieke toeristische ervaring er dan niet júíst een als die van alle andere toeristen? Veel authentieker dan lollig poseren bij de toren van Pisa kun je je als toerist in Italië wellicht niet gedragen.

De laatste week in Indonesië brachten mijn reisgenoot en ik door aan het strand van Seminyak op Bali. We sliepen in een hotel waar je 's ochtends bij het ontbijtbuffet muesli, pannenkoeken en omeletten kon eten, en waar je kon kiezen uit filterkoffie, koffie uit de espressomachine of french press. Niks traditionele Ameth-cake, zelfs niet die superzoete Nescafé die we tijdens de rest van onze reis gedronken hadden.

Overdag liepen we langs de waterlijn en keken naar de dikke Britten, Australiërs en Nederlanders die als aangespoelde walvissen op het strand lagen terwijl frêle Balinezen hun ruggen en voeten masseerden. 's Avonds, terwijl er op het hotelterras een 'traditionele Balinese dansvoorstelling' plaatsvond, trokken we ons terug op onze kamer met dikke boeken vol hedendaagse Amerikaanse fictie.

Pittoresk, traditioneel of exotisch was het geenszins; op de locatie na was er ook weinig 'lokaals' aan. Het was niet avontuurlijk, niet origineel, en goede verhalen voor thuis hield ik er niet aan over. Wel had ik toen, voor het eerst in Indonesië, het gevoel dat ik een echte toeristische ervaring had - die ik rustig kon ondergaan, zonder ook maar een enkele foto te maken.

Statistisch zelfportret
Vrij Nederland / Mei 2010


Illustratie: Ingrid de Lugt

Met talloze smartphone-toepassingen kan iedereen zijn leven vastleggen in lijstjes en statistieken. Een autobiografie van data.

» Meer

Het is maandagochtend en mijn iPhone vertelt me dat het rondje hardlopen dat ik er net op heb zitten precies 12,5 kilometer lang was. Daar heb ik 1 uur, 7 minuten en 4 seconden over gedaan; mijn gemiddelde snelheid lag 6 procent hoger dan gisteren. Zou dat komen doordat ik afgelopen nacht zo goed heb geslapen? Met 7 uur en 16 minuten lag ik 13 minuten langer in bed dan gemiddeld. Nog vóór het ontbijt (423 calorieën; 11 gram vet en 5 gram verzadigd vet) maak ik een zelfportret op dailymugshot.com, vertel ik moodjam.com hoe ik me voel, check ik op mint.com hoeveel geld ik gisteren heb uitgegeven en waaraan ($ 23,15 aan bier, brie en stokbrood voor in het park; $ 4,00 aan een koffie verkeerd met sojamelk), en zie ik dat mijn maandelijkse budget voor meeneemkoffie er bijna doorheen is: vandaag maar eens ouderwets zelf koffie zetten.

Mijn ontbijt duurt 53 minuten: in die tijd verzend ik 18 e-mails, waarvan 7 van journalistieke aard, 4 die met mijn studie te maken hebben, 2 om iets af te spreken voor vanavond en 5 naar mijn vriendje. Die krijgt sowieso het vaakst een mail van me: het afgelopen jaar heb ik hem 416 mails gestuurd, wat hem volgens etacts.com mijn most important contact maakt. Met 128 mails staat mijn moeder op de vierde plaats; zij heeft al vier dagen niets van me gehoord, waarop Etacts suggereert dat het wellicht tijd is voor een berichtje naar het thuisfront.

Stappenteller
Personal informatics. The quantified self. Life tracking. The data-driven life. Het zijn verschillende termen voor hetzelfde fenomeen: het nauwkeurig bijhouden en analyseren van persoonlijke data met behulp van nieuwe technologie en software. Wetenschappers in vakgebieden van kunstmatige intelligentie tot cognitieve psychologie en gezondheid doen er onderzoek naar; computernerds bloggen erover; New York Times Magazine wijdde een paar weken geleden maar liefst zeven pagina's aan het fenomeen; en er gaat geen dag voorbij of er wordt wel een nieuwe iPhone-app of website gelanceerd waarmee je nog gedetailleerder in kaart kunt brengen wanneer je waar bent, en wat je dan precies doet.

Tot voor kort waren vooral topsporters en patiënten geïnteresseerd in gedetailleerde informatie over hun eigen statistieken en beschikten met name bedrijven, managers en wetenschappers over de apparatuur om nauwkeurige metingen te verrichten. Toen Ian Li, een achtentwintigjarige promovendus human-computer interactions aan Carnegie Mellon University in Pittsburgh zes jaar geleden aan zijn proefschrift over personal informatics begon, was er al software voor persoonlijke financiën en liep een aantal van zijn collega's rond met een stappenteller. Sindsdien is het veld 'enorm gegroeid', zegt Li. 'Er zijn nu meer manieren om data te verzamelen, en ook om die vervolgens te analyseren. Voor datacollectie gebruiken we mobiele telefoons, en visualisatie - denk aan nauwkeurige, kleurige grafieken, diagrammen en woordwolken die de interpretatie van data vergemakkelijken - is steeds eenvoudiger automatisch uit te voeren.' Gevolg: niet alleen bloeddruk en wisselkoersen zijn tegenwoordig aan tracking onderhevig. Anno 2010 is alles data geworden, tot op het triviale en banale af - en daarmee is het dagelijks leven hard op weg de meest collectief geanalyseerde databank te worden.

Online wolk

Wie een mobiele telefoon met gps heeft en een Bonuskaart, en ook nog actief is op een of twee online sociale netwerken, die genereert een vrijwel onophoudelijke stroom aan data. Die data - die zich niet langer op één harde schijf of in een archiefmap bevinden, maar in een steeds veranderende online wolk - 'kun je zien als een autobiografie', zegt mediaonderzoeker Martijn de Waal van de Rijksuniversiteit Groningen. 'Als je al die data bij elkaar optelt, zie je vaak iets van jezelf wat je normaal nooit ziet; dan denk je bijvoorbeeld dat je heel avontuurlijk bent, terwijl uit je gps-data blijkt dat je de hele week alleen van huis naar je werk bent gefietst. Het levert een soort zelfportret op.'

Een autobiografie van data, een statistisch zelfportret: dankzij kleiner wordende sensoren en een groeiend aantal smartphone-toepassingen kunnen steeds meer mensen zelf wetenschappertje, archivaris en analistje spelen - en zijn hun bevindingen steeds gemakkelijker openbaar te maken. De iPhone-applicatie Sleep Cycle registreert bijvoorbeeld hoe lang je slaapt en wanneer je je in welke slaapcyclus bevindt - de telefoon ligt op je matras en registreert je bewegingen. 's Ochtends krijg je een mooi grafiekje van de afgelopen nacht - en mocht je die informatie met de wereld willen delen, dan heb je die grafiek met ÈÈn druk op het touchscreen op Facebook geplaatst. Ga je hardlopen, dan registreert MapMyRun je route en je snelheid; mocht je willen opscheppen over je prestaties, dan kun je een plattegrondje van je route, samen met je statistieken, naar Facebook sturen. Op de website caloriechecker.nl van het Voedingscentrum, kunnen mensen een eetdagboek bijhouden en grafieken genereren van hun dagelijkse calorieconsumptie; de site heeft 650.000 unieke bezoekers per jaar, van wie een kwart wekelijks of dagelijks terugkomt om zijn of haar dieet te registreren of het aantal calorieÎn in een voedingsmiddel te checken. En Philips lanceerde vorig jaar DirectLife: een klein sensortje dat je om je nek draagt en dat je lichamelijke activiteit meet. Aan het eind van de dag kun je zien of je genoeg hebt bewogen of te weinig; en ook hoe je hebt gepresteerd in vergelijking met andere DirectLife-gebruikers.

Dertien deugden
Meten is weten en kennis is macht: de behoefte om persoonlijke informatie op te slaan, is natuurlijk niet nieuw. De geschiedenis van het boekhouden is zo oud als de handel zelf, en het eerste gepubliceerde dagboek - dat van de Britse zakenman Samuel Pepys - stamt uit midden zeventiende eeuw. Honderd jaar later hield Benjamin Franklin een logboek bij waarin hij dagelijks afstreepte aan welke van zijn dertien deugden hij zich had gehouden: van stilte tot netheid tot oprechtheid (wie vandaag Franklins voorbeeld wil volgen, kan terecht op belikeben.com, een website ontwikkeld door Ian Li). In het Engeland van tussen de twee Wereldoorlogen was de onderzoeksgroep Mass Observation actief: het doel van de onderzoekers was een 'archief van het dagelijks leven' te bouwen. Zo'n vijfhonderd vrijwillige 'observanten' hielden dagboeken bij, vulden enquêtes in, maakten foto's en schreven rapporten waarin ze, bijvoorbeeld, noteerden wat voor 'schuine grappen' de Britten zoal maakten.

In de jaren tachtig, vertelt mediaonderzoeker Martijn de Waal, bracht de introductie van de spreadsheet een ommekeer teweeg in de manier waarop bedrijven en overheden hun data konden opslaan en analyseren: 'Dat was pas echt revolutionair, dat je in een bedrijf spreadsheets op je computer kon maken en dus scenario's: wat gebeurt er als we deze variabele veranderen, of deze?'

Nieuw zijn de toegenomen precisie en het gemak waarmee mensen hun persoonlijke informatie tegenwoordig kunnen opslaan, de snelheid waarmee nieuwe technologie hen in staat stelt verschillende datastromen te combineren en te analyseren, en ook de onmiddellijke feedback die veel toepassingen geven. De achtendertigjarige Cor Datema bijvoorbeeld meet 's ochtends zijn hartslag; wanneer hij 's avonds gaat hardlopen, slaan sensoren in zijn horloge zijn snelheid, hartslag, temperatuur en andere gegevens op. Na jarenlang zijn persoonlijke statistieken te hebben bijgehouden, kan Datema nu 's ochtends redelijk goed voorspellen hoe hij later die dag zal presteren, en past hij desgewenst zijn training aan. Over de behoefte om zichzelf te monitoren, zegt Datema, die natuurkunde heeft gestudeerd: 'Dat is denk ik de wetenschapper in veel mensen. Je wilt toch weten wat goed voor je is en wat invloed op je heeft, en daar wil je beter van worden - het is een beetje hetzelfde als een model om te voorspellen hoe de financiële markten zich gaan bewegen, een soort controlemiddel.'

Caféburgemeester
Ian Li onderscheidt twee manieren waarop personal informatics gedrag beïnvloeden. 'Je kunt naar de data kijken, leert dan iets over je gedrag, en zodra je een probleem ziet - bijvoorbeeld dat je veel te veel vet eet of te weinig beweegt - dan doe je daar wat aan. Een andere mogelijkheid is dat het systeem suggesties doet; zo waarschuwt mint.com je wanneer je geld bijna op is, en MapMyRun raadt je een bepaalde route aan wanneer je in een nieuwe stad bent.'

Volgens dr. Lisette van Gemert van het Centre for e-Health Research and Disease Management aan de Technische Universiteit Twente, behoren zulke aanbevelingen op maat tot de belangrijkste voordelen van e-Health - internettechnologie voor patiënten en zorgverleners. Van Gemert: 'Dertig jaar geleden hadden mensen met obesitas of diabetes nog geen inzicht in hun eigen klinische waarden, zoals bloeddruk en gewicht. Natuurlijk kon je wel op een weegschaal gaan staan, maar dat vertaalde zich niet automatisch naar grafieken en persoonlijke feedback.' Uit onderzoek van de universiteit blijkt dat wanneer patiënten gebruikmaken van sensoren en websites om hun gewicht en bloedsuikerspiegel te registreren, en vervolgens persoonlijk advies krijgen van die websites, ze meer inzicht hebben in hun eigen conditie en adequater kunnen reageren. 'Het aantal bezoeken aan de eerste hulp door complicaties neemt af dankzij e-Health toepassingen,' zegt Van Gemert, 'en mensen die toch in het ziekenhuis terechtkomen, kunnen eerder naar huis omdat ze zichzelf kunnen observeren.'

Maar er zijn ook genoeg personal informatics toepassingen die weinig tot niets met lichamelijke fitheid, gezondheid of gedragsverandering te maken hebben. Naast de behoefte sneller, slanker en efficiënter te worden, lijkt er ook een grote behoefte om simpelweg te registreren wat je doet en waar je bent.

Zo ontwierp Nicholas Felton de website daytum.com, waarop je persoonlijke datacollecties kunt aanmaken en visualiseren. Gebruikers bepalen er zelf wat ze willen opslaan: van de straten die ze bewandelden tot gewonnen pingpongwedstrijdjes of het aantal uren dat ze hebben besteed aan het bekijken van The Daily Show. iPhone-applicaties als Dayta en Daily Tracker (zie kader) werken op eenzelfde manier; als je inzicht wilt krijgen in hoeveel minuten per dag je op Facebook doorbrengt of hoeveel boeken je in een jaar leest, dan kun je dat met die toepassingen continu doen. Op websites als MoodJam, Mint en Graffiter kun je je uitgavenpatroon, stemming en tijdsbesteding opslaan. Mocht je over vijf jaar nog eens willen weten hoe je je ook alweer voelde op de eerste lentedag in mei 2010, dan vind je dat dus gemakkelijk terug.

Foursquare, Sense Networks en Local Labs zijn applicaties die met behulp van de gps-functie in je telefoon bepalen waar je bent, ze laten je weten of iemand die je kent ook in de buurt is, waar de dichtstbijzijnde bakker is, of welke film er draait in de bioscoop om de hoek; ze helpen je ook om in kaart te brengen hoe je je door de stad beweegt. Het sociale aspect - het feit dat bijna alle personal informatics tools je in staat stellen je data direct te 'delen' met je vrienden of de hele wereld - geeft veel toepassingen een competitief element. Het delen van statistieken moedigt immers aan tot vergelijking; wie met Foursquare bijvoorbeeld vaak genoeg 'incheckt' bij een bepaald restaurant of café kan uiteindelijk de 'burgemeester' worden van die zaak. Veel meer dan digitale eer houdt zo'n burgemeesterschap niet in, maar het illustreert wel dat self tracking soms verdacht veel weg heeft van een reallife computerspel.

Nuttig voor wie?
De ontwikkeling van nieuwe media gaat vrijwel altijd samen met een idee van 'democratisering' - waarbij de definitie van democratie vooral lijkt te zijn dat 'iedereen mee kan doen'. Toen Kodak eind negentiende eeuw een nieuw goedkoop camerasysteem op de markt bracht, was 'iedereen' fotograaf, en alles fotografeerbaar; honderd jaar later, in cyberspace, kan 'iedereen' schrijver, filmster, zanger of journalist zijn. Dat nu ook het voorrecht om data te verzamelen en te analyseren aan democratisering onderhevig is, past binnen die trend. Tegelijkertijd breekt personal informatics met de traditie waarin nieuwe media ook een verbreed blikveld betekenen ('ik kan vanuit mijn leunstoel in Amsterdam de collectie van het Victoria & Albert Museum bekijken!'), of een manier om gemakkelijker te communiceren ('ik kan nu chatten met iemand uit China!'). De nieuwste toepassingen laten je niet naar buiten kijken, maar naar binnen; communiceren doe je niet met derden, maar met oneindig veel eerdere versies van jezelf, allemaal gerangschikt in een grafiek van je sportprestaties, je productiviteit, of je cafeïneconsumptie - gedemocratiseerde navelstaarderij.

De meeste personal informatics toepassingen worden bovendien gemaakt door commerciële bedrijven; wat zij precies met de verzamelde data doen, is niet altijd even duidelijk. Zo zegt Greg Harper, consultant op het gebied van elektronica en communicatie: 'Er komen elke dag duizenden applicaties bij die jouw informatie uit een cloud halen en vervolgens op een nuttige manier verpakken. De vraag is alleen: nuttig voor wie? Voor jou, of voor een bedrijf?'

Die vraag speelt na afloop van mijn hardlooprondje door mijn hoofd. Mijn iPhone suggereert - middels MapMyRun - dat ik misschien wel zin heb in een SoyJoy-reep; de telefoon heeft ook al voor me uitgezocht bij welke winkel in de buurt ik die reep kan kopen. Bepaal ik mijn data, of bepalen mijn data mij? Het Amerikaanse adagium There's no such thing as a free lunch blijkt ook voor personal informatics op te gaan - zelfs al weet ik dat die lunch 533 calorieën bevat, met 40 gram eiwit, 8 gram vezels, en 303 milligram zout te veel.

Speels en dromerig, met een kritische ondertoon
de Volkskrant / 7 oktober 2009



Zestien 'Nederlandse' kunstenaars laten in het Hudson-jaar 'de Nederlandse ziel' zien aan de hand van het landschap en de architectonische geschiedenis.

» Meer

De jonge man en de pianoverkoper zitten tegenover elkaar. Twee witte koffiekopjes staan klein en kwetsbaar op de glimmende tafel. Het gaat over de Steinway D, volgens de verkoper 'het allermooiste dat er te krijgen is op vleugelgebied'.

'Enneh, hoe duur is die?', vraagt de jonge man.

Op het antwoord - 'die is 119.500 euro' - volgt een korte stilte.

Dan: 'Aha. En hebben jullie daar ook een afbetalingsregeling voor?'

Het is een scène uit Nummer Zes: Steinway Grand Piano, een videofilm van Guido van der Werve uit 2006. Het ingetogen, droomachtige karakter van de film is compleet tegenovergesteld aan dat van Erik van Lieshouts Guantanamo Baywatch (2007), een hectische video waarin Van Lieshout en zijn editor door Los Angeles rijden, en alles wat ze zien in Brabantse tongval van commentaar voorzien. Over Paris Hilton: 'Wat 'n lekker wijf zeg, ongelooflijk!'

Beide video's zijn onderdeel van Double Dutch, een groepstentoonstelling in het Hudson Valley Center for Contemporary Art (HVCCA) in Peekskill, zo'n 80 kilometer ten noorden van New York.

In totaal telt Double Dutch zestien kunstenaars, die ofwel Nederlands zijn, ofwel geruime tijd in Nederland hebben gewerkt. HVCCA-directrice Livia Straus, een bedachtzame vrouw op witte sneakers, en haar man bezoeken sinds 2007 regelmatig Nederlandse studio's, galeries en musea. Met het Hudson-jaar in het vooruitzicht besloot het echtpaar hun 'liefde voor de Nederlandse art scene' om te zetten in een tentoonstelling.

Anders dan je, afgaande op wat er rondom dat Hudson-jaar zoal wordt gepropageerd, misschien zou verwachten, gaan de werken in Double Dutch niet over het ontstaan van New York, niet over 'typisch Hollandse' tolerantie, en ook niet over immigratie en de multiculturele samenleving.

Dylan Graham, een Nieuw-Zeelander die aan het Sandberg Instituut en de Rietveldacademie studeerde, refereert met zijn uitknipkunstwerken aan Nederlands koloniale verleden, maar in die thematiek staat hij verder alleen.

Volgens Straus hebben de kunstwerken in de tentoonstelling een 'gemeenschappelijke Dutch soul', die 'het lineaire landschap en de architectonische geschiedenis van Nederland' reflecteert.

Wat er met die Nederlandse ziel precies wordt bedoeld, is niet altijd even duidelijk. Vooruit, een aantal kunstenaars, onder wie Fendry Ekel en Rob Voerman, heeft architectuur als onderwerp. De installatie van Daan Padmos, een balancerend huis dat hecht en vast, tegen wassend water bestand, aan de Hudson staat, roept associaties op met Nederland als waterland. Maar de 'ruimtelijkheid' die volgens Straus de werken kenmerkt is, in het geval van installatiekunst, nogal wiedes: die is nu eenmaal per definitie driedimensionaal.

Dat neemt niet weg dat Double Dutch een coherent beeld neerzet van een generatie experimentele kunstenaars die - een paar uitzonderingen daargelaten - in Amerika amper bekend is. Dat beeld is weliswaar speels en dromerig - zoals de licht erotische textielschilderijen van Lara Schnitger, of de caleidoscoopinstallatie van Serge Onnen -, maar niet zonder kritische ondertoon (Schnitgers werk gaat bijvoorbeeld ook over de vrouw als lustobject).

In hoeverre je daarin de invloed van de stijl of de platheid van het Nederlandse polderlandschap kunt terug zien, is de vraag. Maar een samenhangend, verrassend visitekaartje voor wat de hedendaagse Nederlandse kunst vermag, is het in elk geval wel.

Saillant, en al dan niet toevallig, is het feit dat veel van de installaties impliciet of expliciet aan Amerika refereren - zoals Van Lieshouts video's of Alon Levins On Eagles and Empire (2009).

Job Koelewijns Sanctuary (2007) is een levensgroot, uit meer dan drieduizend boeken en kunstcatalogi opgebouwd tankstation. Een associatie met Amerikaanse kunsticonen als Edward Hoppers schilderij Gas (1940), de foto's van Robert Frank en Jack Kerouac's roman On the Road ligt, in deze context, voor de hand.

En Van der Werve's Nummer Zes? Na het gesprek met de pianoverkoper gaat de video over in een rÍverie, waarin met behulp van een takelwagen een Steinway Van der Werve's woning wordt binnengetakeld, en de kunstenaar een huiskamerconcertversie van Chopin's Piano Concerto No. 1 weggeeft. Mensch, durf te dromen, lijkt de boodschap - en in the land of opportunity is die meer dan toepasselijk.

Het verzet van de verhalenvertellers: Fotofestival Naarden
Vrij Nederland / Mei 2009



Op het Epson Foto Festival in Naarden is werk te zien van een nieuwe generatie fotografen, een generatie die er voor kiest één klein verhaal te vertellen. De relatie tussen de foto en de herinnering staat daarbij vaak centraal.

» Meer

'Ik kan me die hond niet herinneren.' Op een foto uit 1983 poseren moeder, dochter en hond naast de achterbumper van een bruine Ford. Het is zomer: de moeder, rug recht, draagt een T-shirt en sandalen; de dochter een lichtblauw zwempak. Witte sokken in witte sneakers. Wat doe je met je handen? Moeder houdt de hondenriem vast, dochter grijpt met haar rechterhand haar linkerpols. De vrouwen kijken naar de camera, de hond bestudeert de grond: klik! Leuk voor later. Pater familias Libero Greco stuurde een afdruk naar zijn zuster Delia. Die woont nog altijd in het Italiaanse Calabrië, de regio die hij zelf verruilde voor New Jersey. Op 9 bij 13 centimeter ontving zij het bewijs dat het aardig was gelukt met die Amerikaanse droom van hem: een vrouw, een kind, een Ford, een hond. Wanneer zijn vrouw de foto vijfentwintig jaar later terugziet, kan ze zich de vakantie nog wel herinneren, maar is de hond een lastiger verhaal. Was er ooit een hond?

'Herinneringen blijken vaak niet te kloppen. Een foto is dan het bewijs dat je iets hebt meegemaakt,' zegt fotografe Petra Stavast. Twintig jaar na het overlijden van Delia vond zij in diens verlaten huis die foto van vrouw, dochter en hond - samen met een hele stapel andere foto's en brieven van Libero. Stavast (1977) fotografeerde het in verval geraakte huis, verzamelde het papierwerk dat nog niet door schimmel en rot was vergaan, spoorde de vrouw en kinderen van de inmiddels overleden Libero op en toog naar New Jersey om hun hun herinneringen terug te geven. Libero, een expositie waarin zowel de gevonden foto's te zien zijn als haar eigen fotografie, opent deze week op de elfde editie van het Epson Foto Festival in Naarden.

Geheime werkplaats

Granieten tegelvloer, witte, viezige muren. Aan de rechterkant van de foto valt, door een raam met gebubbeld glas, viezig, blauwig daglicht binnen. Een deur staat open; erachter is nog zo'n koele, kale ruimte zichtbaar.

De herinnering kwam eerst, de foto later: dit was de geheime werkplaats van de ouders van fotograaf Michael Anhalt (1976). Ze bouwden er aan een vliegtuigje waarmee ze de grens van Oost- naar West-Duitsland wilden oversteken. Michael kwam er regelmatig, hielp zelfs met het opschuren van metaal. Bij een testvlucht in 1983 werden zijn ouders betrapt en gevangen gezet; Anhalt en zijn zus verbleven tijdelijk bij familie in Weimar. Lang waren zijn herinneringen aan die tijd een onduidelijke mengvorm van kinderlijke fantasie, beelden in zijn hoofd, en wat hem achteraf was verteld. 'Ik wist wel d·t het gebeurd was, maar niet meer precies wat ik zelf had meegemaakt en wat de verhalen waren van mijn ouders en familie.' Twintig jaar later ging hij terug om bij die onduidelijke herinneringen alsnog foto's te maken. De foto's verwerkte hij, samen met archiefmateriaal, tot een boek: Apathie. Het is genomineerd voor de Foto Kees Scherer prijs - een tweejaarlijkse prijs voor het beste Nederlandse fotoboek - die tijdens het fotofestival wordt uitgereikt.

Tegen het hijgerige

'Veel jonge fotografen zijn bezig met herinneringen,' zegt Marga Rotteveel, samen met Teun van der Heijden creatief directeur van het fotofestival en studieleider van de master fotografie opleiding AKV/St. Joost Breda. 'Dat is ook wel een beetje inherent aan fotografie, want de meeste mensen maken foto's om zich later iets te kunnen herinneren.'

Het festival wil een overzicht bieden van de laatste ontwikkelingen op fotografiegebied en stelt het werk tentoon van de jongste lichting fotografen. Hoewel het thema 'herinnering' zich bij het zien van de foto's nu en dan opdringt, heeft het festival geen thema dit jaar. Rotteveel: 'Jonge fotografen zijn de voelsprieten van de samenleving, daar willen we niet ook nog een thema op plakken.'

Die 'voelsprieten' zijn opgegroeid in de jaren tachtig en negentig, tegen een constant veranderende achtergrond van vallende muren, globalisering, migratie, nieuwe technologieÎn en verschuivende grenzen tussen feit en fictie, publiek en privé. Voor deze generatie is informatie altijd en overal op afroep beschikbaar: overvloedig, vluchtig en gefragmenteerd. Dat levert rijkdom en armoede tegelijk op. 'De kunst van het verhalen vertellen loopt ten einde,' schreef criticus Walter Benjamin al in 1936, in Der Erzähler. De opkomst van de informatiemaatschappij was daar volgens hem debet aan: 'Elke ochtend krijgen we het laatste nieuws van over de hele wereld, maar het ontbreekt ons aan waardevolle verhalen.' Sindsdien is de strijd tussen 'waardevolle verhalen' en informatie steeds in het voordeel van de laatste uitgevallen; nu komt het nieuws niet meer elke ochtend, maar elke seconde tot ons, in de vorm van elkaar in rap tempo opvolgende updates.

Desondanks - of misschien juist daarom - lijkt met de nieuwste generatie fotografen een generatie van verhalenvertellers te zijn opgestaan. Rotteveel ziet het bij veel jonge fotografen: de overdaad aan fragmentarische informatie leidt tot 'een keuze voor verhalende fotografie'. Dwars tegen het hijgerige van vierentwintig-uur-per-dag-nieuws in, kiezen fotografen als Stavast en Anhalt voor de lange adem en zoeken ze één klein verhaal tot op de bodem uit.

Een andere exposant op het festival is de uit Iran afkomstige Rahi Rezvani (1978). Twee Nederlandse vrouwen vertrouwden hem afzonderlijk hun levensgeschiedenis toe. Rezvani smeedde die herinneringen samen tot een fictieve vertelling - over een meisje dat tijdens het bombardement in Rotterdam haar familie verliest, later trouwt met een man die als soldaat omkomt in IndonesiÎ, de prostitutie ingaat en door haar zoon in de steek wordt gelaten.

'Het is een flashback,' zegt hij over Retreat to Nowhere, een kloek boekwerk met zwart-witfoto's die eruitzien als stills uit een spannende Hollywoodfilm, waarin hij die vertelling verbeeldt. In de stijl van Jeff Wall en Cindy Sherman bouwde Rezvani sets, zette gebeurtenissen in scËne en fotografeerde ze; achteraf bewerkte hij de foto's uitvoerig in Photoshop.

Kinderen van hun tijd zijn Stavast, Anhalt en Rezvani zonder meer. Andermans beeldmateriaal - of, in het geval van Rezvani: andermans herinneringen - weegt even zwaar als 'eigen' werk. Ze zijn buitengewoon geÔnteresseerd in amateurfotografie. Lichtwolke, een ander project van Anhalt waar hij samen met fotografe Meike Eggers aan werkte en dat ook in Naarden is te zien, bestaat bijvoorbeeld volledig uit gevonden amateurfoto's. Dankzij de combinatie van internet en goedkope digitale fotografie is het beelduniversum flink uitgedijd, en fotografen kiezen er steeds vaker voor minder auteur te zijn en meer redacteur, regisseur of verzamelaar. In Nederland zijn bijvoorbeeld Hans Aarsman en Erik Kessels al jaren geïnteresseerd in gevonden, veelal anonieme fotografie.

Voor de jonge fotografen op het festival is het bovendien de normaalste zaak van de wereld om, zoals het een multimediale, zoniet postmediale generatie betaamt, verschillende genres en technieken te combineren. 'Niemand is alleen nog fotograaf, schilder of beeldhouwer - die grenzen zijn verdwenen,' zegt Michael Anhalt. Ze maken boeken, maar ook websites en installaties; zowel Rezvani als Stavast hebben bovendien een soundtrack bij hun werk. Bij de expositie van Stavast zijn geluidsopnamen te horen die ze maakte tijdens haar bezoek aan New Jersey. Daar hoor je de moeder dus zeggen dat ze de hond niet herkent. Bij Rezvani hoor je muziek die hij zelf componeerde. 'Wat ik doe, is niet honderd procent fotografie en ook niet honderd procent cinema. Mijn werk is een mix van mijn ervaring als fotograaf, schilder en ontwerper,' zegt Rezvani, die grafische vormgeving studeerde in Teheran voordat hij naar de fotografieopleiding van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK) in Den Haag kwam.

Stavast, net als Anhalt (die ook nog de KABK deed) afgestudeerd aan Academie Sint Joost: 'In dit project ben ik misschien wel meer regisseur dan fotograaf.' Dat was niet haar oorspronkelijke plan. 'VÛÛr die vondst wilde ik gewoon zelf een project maken over emigratie en vergrijzing in CalabriÎ.' Maar de foto's en brieven, in combinatie met dat al twintig jaar leegstaande, totaal overhoop gehaalde huis, vertelden samen zó'n goed verhaal, dat ze er eigenlijk niet omheen kon. 'O nee, niet nu,' dacht ze nog wel, want: 'Het is wel een trend om met gevonden materiaal te werken.'

Grotere thematiek

Het politieke engagement van de jonge fotokunstenaars is subtiel, soms op het understatement af; ook daarin past hun werk naadloos binnen het huidige tijdsgewricht. De betrokkenheid in kleine kring, die de Grote Verhalen van de jaren zestig en zeventig heeft vervangen, viert hoogtij. Rotteveel: 'Fotografen van nu gaan liever kijken wat er bij hen om de hoek speelt dan dat ze naar exotische oorden vliegen om vast te leggen wat er daar gebeurt. Ze kiezen eerder voor het persoonlijke en kleine dan voor de grote thema's.'

Dat klink braaf; en de klassieke vertelvorm - chronologisch, afgebakend, met kop en staart - geeft Apathie, Libero en Retreat to Nowhere misschien zelfs iets conservatiefs. Maar er wordt wel degelijk aan een grotere thematiek gerefereerd: onderdrukking in de voormalige DDR, vergrijzing in ItaliÎ, de Tweede Wereldoorlog. En hoewel ze volop van de middelen van het digitale tijdperk en de informatiemaatschappij gebruik maken, kenmerkt het werk van de jonge fotografen zich tegelijkertijd door een verzet tegen het vluchtige van die cultuur.

'Om uit het constante media-aanbod de juiste informatie te filteren, heb je bepaalde vaardigheden nodig. Die moet je jezelf aanleren,' zegt Anhalt. Er is niemand die je vertelt hoe je een nieuwsfoto moet interpreteren, een blog beoordelen of de geloofwaardigheid van een internetbron inschatten. En ook niet hoe je die veelheid aan plaatjes een plaats moet geven.

Het verzet van de verhalenvertellers bestaat eruit orde te scheppen in de beeldenchaos: dat de relatie tussen fotografie en herinnering daarbij vaak centraal staat, is niet zo verwonderlijk. De kunst van het verhalen vertellen bestaat immers bij de gratie van een publiek dat de behoefte heeft dingen te onthouden. En wat zijn herinneringen anders dan de verhalen die we onszelf vertellen over onszelf?

Nu we niet langer een papieren album hebben waar de belangrijkste momenten (geboorte, eerste schooldag, afstuderen, huwelijk) al mooi voor ons zijn ingeplakt, maar we werkelijk alles met onze mobiele telefooncamera's kunnen documenteren en tot in het oneindige kunnen opslaan en publiceren, wordt het vertellen van zo'n verhaal steeds ingewikkelder. Een onbenullige dronken avond in de kroeg heeft nu net zoveel pixels als je pasgeboren nichtje; leuk voor later, maar zie daar nog maar eens een helder gestructureerde geschiedenis uit te destilleren.

Wie alles bewaart, heeft uiteindelijk misschien wel helemaal niets. Anhalt: 'Iets dat belangrijk is, wordt in zo'n grote hoeveelheid juist weer onbelangrijk.' De fotograaf van nu kan een voorbeeld stellen, meent hij, door uit de plaatjeszee één verhaal te pikken, dat te belichten, en het zo te onderscheiden van de rest'.

'Dat iedereen nu alles maar op Flickr en Facebook zet, lokt uit dat je heel bewust kiest voor aandacht, en iets kleins,' zegt Stavast over haar beslissing om uiteindelijk in te zoomen op het verhaal van ÈÈn familie. 'Zo bied je toch een soort tegenwicht.'

Paradijs aan gruzelementen Op een foto uit 2007, opgenomen in Libero, is vanuit de deuropening nog net het hoofdeinde van een bed zichtbaar. Het deurtje van het nachtkastje ernaast staat open, de inhoud ligt over de vloer verspreid. De laden van het dressoir zijn opengetrokken en de goudomrande spiegel die erop staat, reflecteert de openstaande kledingkast tegen de tegenoverliggende muur. Boven die spiegel, ingelijst: een dubbelportret, zwart-wit, waarschijnlijk van de mensen die twintig jaar geleden nog in dat bed sliepen. Wie nu vanaf de drempel naar het bed wil lopen, moet zich een weg banen door een ongelofelijke puinzooi aan kleding, ondersteboven gekieperd meubilair, papierwerk. Dit is wat twintig jaar leegstand doet met een huis: eerst komen de inbrekers, dan de zwervers, dan de katten en de slimmeriken uit de buurt die nog wel een goede tafel of stoel kunnen gebruiken. Het dak raakt lek, het houtwerk begint te rotten, en de foto's en brieven met herinneringen beginnen te vergaan.

Toen Stavast de gevonden herinneringen terugbracht naar New Jersey, nam ze ook de foto's mee van het huis anno nu. Dat foto's herinneringen kunnen oproepen, maar ze ook aan gruzelementen kunnen slaan, bleek toen de familie die beelden onder ogen kreeg.

Stavast: 'Ze zijn er ooit één keer geweest, in 1978. In hun herinnering was dat huis een soort paradijs. Mijn foto's waren wel even een harde realiteit.'

Uitgeknipt: Komt er een einde aan de fotojournalistiek?
Vrij Nederland / Januari 2009



Photoshoppende fotografen en burgers die met hun mobiele telefoon zelf wel de brandende flat fotograferen en op internet zetten: de professionele fotojournalistiek lijkt zowel haar functie als haar geloofwaardigheid kwijt te zijn. Hoewel: 'Ik krijg nooit ingezonden brieven over dit onderwerp.'

» Meer

Vlak voor de kerst bracht een gekloond hertje een rel teweeg. De rel vond plaats in fotoland, en de kloon bestond uit pixels: op een foto die Jean-Pierre Jans voor de Volkskrant had gemaakt, bleek hetzelfde hertje twee maal voor te komen, en de krant zegde de samenwerking op. De fotograaf zelf hield vol onschuldig te zijn, maar de geest was al uit de fles en bezoedelde, voor de zoveelste keer, het imago van de nieuwsfotografie.

Vergeet metaforen van de camera als wapen of de fotograaf als meedogenloze plaatjesschieter; die stammen uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen de fotokritiek met schrijvers als Susan Sontag nog in de kinderschoenen stond en de invloed van de fotojournalistiek nog onbetwist leek. Anno 2009 klinkt een heel ander geluid, waarbij nieuwsfotografie niet langer agressor is, maar in de slachtofferrol zit. Dankzij burgerjournalistiek, Web 2.0 en Photoshop zou de fotojournalistiek haar gezag verliezen - vooral voor de jongere generatie, die is opgegroeid in een postmoderne, digitale wereld, en voor wie de status van een serieuze nieuwsfoto gelijk is aan die van een willekeurig amateurkiekje of een gemanipuleerd reclamebeeld.

'Fotojournalistiek staat de laatste tijd vaak in een kwaad daglicht,' zegt Edie Peters, oprichter van de toonaangevende fotografiewebsite PhotoQ, docent fotoredactie aan de Hogeschool Utrecht en voormalig fotochef bij de Volkskrant. 'Door digitale technologie zijn mensen gaan beseffen dat je foto's kunt manipuleren.' Dat besef beperkt zich niet tot het domein van Photoshop: 'Jean-Pierre Jans was ÈÈn voorbeeld, maar er zijn ook heel veel fotografen die het bijvoorbeeld niet erg vinden om iemand te vragen even iets te doen voor een foto.'

De laatste tien, vijftien jaar werden dan ook veel foto's 'ontmaskerd' als geÎnsceneerd, zoals bijvoorbeeld Robert Doisneaus beroemde foto van het zoenende stelletje voor een Parijs terras uit 1950 (zie pagina 74). Tel daarbij op dat lezers dankzij internet verschillende nieuwsbronnen met elkaar kunnen vergelijken, en je krijgt een publiek dat 'zich ervan bewust is dat foto's niet per se laten zien hoe iets was, maar dat fotografen de werkelijkheid ook wel eens een handje helpen,' aldus Peters.

In die analyse staat hij niet alleen. Vorige maand organiseerde het International Center of Photography (ICP) in New York een symposium waarbij de deelnemers - academici, schrijvers, documentairefotografen als Susan Meiselas en Allan Sekula - zich bogen over de afbrokkelende relatie tussen fotografie en 'waarheid'.

In het digitale tijdperk, aldus ICP-curator Brian Wallis, spelen journalisten, redacteuren en andere 'poortwachters van de waarheid' geen rol meer; burgers zoeken het zelf wel uit. Een maand eerder, tijdens een lezing in het Museum of Modern Art, zei Howard Gardner, ontwikkelingspsycholoog te Harvard, dat 'in een digitaal, postmodern tijdperk, objectiviteit en waarheid er niet langer toe doen.' Authenticiteit en 'ideologische transparantie' zouden de nieuwe kernwaarden zijn: een desastreuze diagnose voor de nieuwsfotografie, die haar reputatie immers ontleent aan de objectieve, natuurgetrouwe wijze waarop ze de werkelijkheid kan registreren en representeren.

Edie Peters: 'Mensen nemen berichtgeving via fotografie nu met een korrel zout. Tijdens mijn lessen in Utrecht laat ik vaak de foto zien die twee jaar geleden de World Press Award won. (De foto op pagina 70-71, van vier jongeren die in een dure cabrio door een platgebombardeerde wijk in Beiroet rijden, red.) De eerste reactie van mijn studenten is dan: "O, die is vast geshopt." Terwijl die foto nu juist nÌÈt geshopt is. Maar omdat ie zo mooi is, denken mensen dat het wel nep zal zijn. De geloofwaardigheid is minder geworden.'

Abu Ghraib
Ook in kwantitatieve zin heeft een verandering plaatsgevonden. 'Er zijn nu veel meer foto's waarmee mensen worden geconfronteerd,' aldus Peters. Niet alleen zijn er meer tijdschriften en kranten dan bijvoorbeeld vijfentwintig jaar geleden; beeld is ook de lingua franca van internet, televisie en videogames. Het Amerikaanse onderzoeksinstituut PEW Center for People and the Press berichtte vorige maand dat 2008 het jaar was waarin het internet onder Amerikanen onder de dertig alle andere media heeft ingehaald als nieuwsbron; het staat nu alleen nog met televisie op gelijke voet.

'Foto's zijn normaal geworden, niet meer iets bijzonders,' zegt Peters, en daarom maken ze ook minder indruk. 'Hoewel je nog steeds wel foto's hebt die als bijzonder worden ervaren, zoals bijvoorbeeld de beelden van Abu Ghraib, 9/11 of de tsunami van 2004. Foto's van zulke grote gebeurtenissen behouden hun impact.'

Laat nou net die foto's, die vanuit New York, Irak en IndonesiÎ de wereld over gingen, meestal niet van fotojournalisten afkomstig zijn, maar van de mobiele telefoons van 'toevallige' voorbijgangers of participanten.

Betekenislagen
Tegelijk met het vervloeien van verschillende media in een multimediaal landschap, vervagen ook de scheidslijnen tussen journalist en publiek, tussen professional en amateur. Burgerfotojournalistiek is niet geheel nieuw: de Sovjetmedia onder Stalin bijvoorbeeld zetten al 'amateur-fotocorrespondenten' in om het volk van beelden uit het hele land te voorzien, en in het Hong Kong van de jaren negentig gaf de krant Apple Daily cameraatjes mee aan pizzakoeriers - vanuit het idee dat het gemakkelijker was om hen te leren fotograferen, dan om fotografen te leren snel genoeg door de stad te navigeren. Zo'n vijf jaar geleden werd de amateur-revolutie al aangekondigd door onder meer Francisco van Jole in de Volkskrant en Hans Aarsman in Vrij Nederland; en de doorbraak van mobiele telefooncamera's en Web 2.0 heeft de afgelopen twee jaar zonder meer tot schaalvergroting geleid. De amateurfoto als nieuws- en informatiebron is inmiddels zozeer ingeburgerd dat ook AP en Reuters deals hebben gesloten met websites die amateurfoto's verzamelen.

'Amateurfotografie kan een aantal dingen doen die fotojournalistiek niet kan,' zegt Peters. 'De foto's worden bijvoorbeeld gemaakt op het moment dat iets gebeurt, in plaats van achteraf.' Daarnaast zijn amateurfoto's vaak ook alledaagser qua vorm en inhoud: 'Professionals hebben zich de afgelopen jaren verder ontwikkeld, onder meer omdat er betere opleidingen zijn en de technologie vooruit is gegaan. Dat betekent dat hun foto's ook verschillende betekenislagen hebben, terwijl de foto's van Abu Ghraib of de bomaanslagen in de Londense metro veel simpeler zijn. Iemand maakte zo'n foto zonder na te denken; daarmee zit het heel dicht bij hoe fotografie ooit is begonnen, als puur registratiemiddel. Dat is een toegevoegde waarde.'

Snel ter plaatse, simpel, en ook nog eens herkenbaar voor een publiek dat in de rechttoe rechtaan registraties van allerhande rampen en rampjes het eigen handiwork herkent; de amateurfoto in de krant als het equivalent van 'de mening op straat' in het NOS Journaal.

Maar of het de waardering van fotojournalistiek ook daadwerkelijk verandert, dat durft Frits Gierstberg, hoofd tentoonstellingen van het Nederlands Fotomuseum en bijzonder hoogleraar fotografie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, niet te beamen. 'Ik geloof niet dat daar onderzoek naar is gedaan, noch onder jongeren, noch onder ouderen. Dus je kunt alleen maar een beetje raden en vermoeden dat het nu anders is, omdat jongeren ook anders met nieuwe media om gaan.' Een van Gierstbergs studenten deed vorig jaar een onderzoekje naar de perceptie van amateurfoto's in het nieuws. 'Toen bleek dat vooral jongeren daarin geïnteresseerd zijn, vooral vanuit de gedachte dat ook hun eigen foto daar zou kunnen staan. Maar wanneer het erop aan kwam, bleken ze zelden het verschil te zien tussen een amateurfoto en een professionele foto.' Dus misschien hebben jongeren wel een grotere affiniteit met het idee van amateurfotografie en interactie - maar als ze het verschil niet zÌÈn, wat maakt het dan uit?

Kodaks Brownie
Volgens Joost van den Broek, in 2006 fotojournalist van het jaar, valt het ook wel mee met de afgenomen geloofwaardigheid van nieuwsfotografie. 'De meeste lezers zijn echt niet zo geïnteresseerd in die discussie,' zegt hij. 'Ik krijg nooit ingezonden brieven over dit onderwerp, en hoor zelden van lezers of mensen uit mijn omgeving dat ze zich er mee bezig houden. De enigen die het er wel eens over hebben, zijn mensen die er beroepsmatig mee omgaan' - fotografen, redacteuren, en academici, dus. De zestienjarige Liselotte Pelle zat een paar jaar geleden in de lezersraad van Kidsweek en maakte toen mede de selectie voor de Nieuwsfoto van het Jaar-verkiezing, die ook deze maand weer wordt georganiseerd door Kidsweek, ANP en Villa Zebra. 'Wanneer ik een nieuwsfoto zie, houd ik er eigenlijk nooit rekening mee dat die gemanipuleerd kan zijn,' zegt zij. 'Meestal heb ik zoiets van: wat je op die foto ziet, is gewoon echt gebeurd.'

De druktemakerij over de afbrokkelende geloofwaardigheid van fotojournalistiek heeft iets weg van the boy who cried wolf. Vooral wanneer je wat verder uitzoomt om de recente geschiedenis in ogenschouw te nemen; daarin wemelt het namelijk van de beren op de weg. Twintig jaar geleden bijvoorbeeld werd er ook al druk gediscussieerd over de stortvloed aan afbeeldingen waarmee de moderne consumptiemaatschappij werd geplaagd. Time-magazine vroeg zich in 1995 hardop af: 'Neemt de macht van foto's af, als ze zo talrijk zijn?' Spoelen we nog wat verder terug, dan stuiten we in 1989 op de introductie van Photoshop, en op Fred Ritchin, voormalig beeldredacteur van New York Times Magazine, die waarschuwde dat digitale manipulatie 'het vertrouwen van het publiek in journalistiek dreigt te ondermijnen.' In de jaren zeventig had je de postkoloniale kritiek die de documentairetraditie bestempelde als westers, koloniaal en seksistisch; en nog verder terug zien we de komst van kleurenfotografie en de introductie van Kodaks Brownie, die ook de geloofwaardigheid van serieuze fotografen zouden ondermijnen. En zo verder, en zo voort: eigenlijk is de fotografie, vanaf het moment dat in 1839 de Daguerrotype werd geboren, om de haverklap doodverklaard. Maar getuige de collectieve verontwaardiging die ook nu weer ontstond over het hertje van Jean-Pierre Jans, lijkt het er op dat we er nog altijd - al dan niet onbewust - vanuit gaan dat fotografen en redacteuren naar eer en geweten handelen.

Natuurlijke selectie
En ondanks de doemscenario's en onheilspellende vooruitblikken wordt er nog altijd druk gefotografeerd; zo druk zelfs, dat je als zelfrespecterend telefoon- of mp3-spelerfabrikant geen product meer zonder ingebouwd cameraatje de markt op kan sturen. Tijdens elke minuut dat u dit leest, worden op Flickr vijfduizend foto's bijgeschreven. En juist de kranten die zich op jongeren richten, zoals het gefaalde DAG en het succesvolle nrc.next, geven veel ruimte aan fotografie. Op de laatste dag van het afgelopen jaar bracht laatstgenoemde bijvoorbeeld een nummer dat vrijwel volledig uit beeld bestond: 'Beeld is belangrijk in nrc.next,' schreef de krant, 'de grote foto in het midden is zelfs de populairste rubriek van de hele krant.' Liselotte Pelle: 'Oudere mensen nemen meer de tijd om artikelen te lezen, zelfs als het hele lappen tekst zijn. Maar jongeren willen het nieuws snel opnemen, dus om hen te trekken, moet je vooral ook veel goede foto's plaatsen.'

Digitalisering en interactieve media hebben wel iets veranderd, maar die verandering lijkt zich voornamelijk op het werkterrein van professionele fotojournalisten af te spelen. Nu de gedrukte media minder geld te besteden hebben, is de amateurfoto een welkom alternatief voor die van een professional. Niet voor niets hebben veel regionale kranten de tarieven voor foto's al verlaagd, of geven ze schrijvende journalisten een cameraatje mee.

Dat een jongere generatie gemakkelijker met beeld en interactiever met nieuws omgaat, betekent niet dat nieuwsfotografie met uitsterven wordt bedreigd. Wel zullen fotojournalisten, zoals Edie Peters zegt, naar 'andere manieren op zoek moeten om hun brood te verdienen.' Joost van den Broek ziet van die krappe arbeidsmarkt (ook vanwege teruglopende advertentie-inkomsten en jongere lezers die uitwijken naar internet) ook het voordeel in: 'Er zijn op dit moment veel te veel fotografen. Iedereen vindt het wel leuk om een beetje stoer met een camera rond te lopen en daar dan vijftig euro voor te krijgen. En dat levert een overvloed aan matige foto's op. Dus ik denk, en hoop, dat het aantal fotojournalisten afneemt' - een soort natuurlijke selectie dus.
De discussie onder fotografen en redacteuren over de grenzen van manipulatie staat nu weer even op scherp, maar ook dat kan voordelig uitpakken: niet voor niets werd er voor de jury van de Zilveren Camera, die ook deze maand een winnaar kiest, op stel en sprong een 'stoomcursus' georganiseerd om digitale manipulatie te herkennen - een teken dat cynisme het nog niet van idealisme gewonnen heeft. Bovendien, zegt Edie Peters: 'Door het debat wordt de scheidslijn duidelijker tussen mensen die wel klooien, en mensen die dat niet doen - er ontstaat een soort tegenbeweging van Preciezen en Serieuzen die zich van dit soort praktijken verre houden.'

Obama Snubs Foreign Press
Columbia Journalism Review / 4 november 2008

Apart, perhaps, from the unusually mild weather, nothing seemed out of the ordinary this morning when Mayor Richard Daley of Chicago made his round past the various international media outlets that had set up shop in Millennium Park.

» Meer

The Bean reflected and deformed the compact Mayor and the crowds that flocked around him; Chicagoans passing by asked him for photographs, and he posed patiently; the radio and television correspondents that had been granted an interview asked all the predictable questions - "Is Chicago ready for this event?" "What's the significance of this event?"; Daley's answers were similarly predictable, if perhaps somewhat presumptuous - "This is an event to celebrate [Sen. Barack Obama's] victory," he said: "And that's a very significant thing; people want to be part of history."

But, as a Swiss television reporter pointed out, the European media would like to be "part of history" too, and, right now, they weren't. Because, hold on a minute - Millennium Park? Wasn't the Obama rally going to be in Grant Park? Then what were all these foreign broadcasters doing here, in the shade of the Bean? Shouldn't they be out at the five-story riser set up across from the stage where Obama will be speaking this evening - and where the crowds are expected to be?

They should. And they would - if they could.

Bill Dunlop is president and CEO of Eurovision Americas Inc, the American branch of the European Broadcasting Union (EBU), the largest association of national broadcasters in the world. According to Dunlop, foreign media interest in this election day is unprecedented. "All major television networks in European countries are hosting special overnight election programs", Mr. Dunlop said, adding that "the entire European press corps" is in the United States right now, with correspondents in Washington, Phoenix, and Chicago. Overall, EBU operates sixty-eight fiber circuits between the United States and Europe to carry their broadcasts, compared to only twenty-five on 2004's election night. Forty-five EBU members - all the major public television networks from Germany, Italy, Spain, and France, as well as "most of Eastern Europe, and the Russians", have correspondents reporting from Chicago tonight, and they rotate on EBU's seven stand-up positions in order to give audiences back home a live impression of what's happening in Grant Park - except that they are not exactly in Grant Park.

"We applied for eight positions on the riser," which holds eighty positions in total, at $1000 per spot, Dunlop said, "and we were told by the Obama campaign last Thursday, five days before the event, that we were given only one. Obviously we cannot possibly rotate forty-five correspondents on one position."

Pleas to the Obama campaign about "the huge interest of European audiences" in tonight's event "all fell on deaf ears", Dunlop said. The result: EBU is now broadcasting from Millennium Park, far away from tonight's action and excitement. (Said Dunlop: "The Obama campaign has underestimated the huge interest in the event." He added that EBU had applied for four positions at the McCain rally in Phoenix, and was assigned the requisite number - even though the McCain event is hosted inside a hotel ballroom, as opposed to the much larger scale Obama event outside.) The Obama campaign did not respond to a request for comment.

The city of Chicago, meanwhile, proved of little help, declining the EBU's request for a spot nearer Grant Park. When asked, by that same Swiss reporter, how Mayor Daley could "explain such a disaster" (the disaster being that "the European media are outside, unable to report on the biggest event in recent history"), the mayor raised his hands in a "I-didn't-do-it" manner and replied: "Secret Service! Secret Service!"

"The US Secret Service does all the credentials of all the media. I have nothing to do with it. I don't handle PR, that's not my job," Daley said.

Not his job - and not his problem either. "I love my city, we are very proud, and we welcome you to our city," he told the disgruntled reporter; and therefore, he wished not to be pestered about such trivialities as a broadcast location. "You should be happy you're here", the mayor said - upon which he excused himself, and all but disappeared into the glaring sun.

De ware rebel is een conservatief
Vrij Nederland / Oktober 2008



Een nieuwe minderheid laat zijn stem horen in Amerika: naast Afro-Amerikanen, vrouwen en homo's eisen nu ook jonge Republikeinse kiezers de aandacht. Zij volharden rebels in hun liefde voor de conservatieve McCain.

» Meer

'Al drie keer zijn we de straat op gegaan,' zegt Villamor Asuncion, terwijl hij enthousiast tegen de zijkant van de katheder in de ballroom van de Women's National Republican Club trommelt. In de door kroonluchters verlichte zaal aan de 51ste Straat in New York, waar naast het spreekgestoelte de Amerikaanse vlag hangt, zijn vanavond de leden van de New York Young Republican Club - 'the Oldest Young Republican Club in the Country' - bijeen voor hun maandelijkse vergadering. Asuncion is verantwoordelijk voor community outreach en vertelt over zijn meest recente initiatief: McCain Manhattan.

'De eerste keer waren de reacties heel negatief,' zegt hij. 'Mensen wilden niets van ons aannemen en duwden ons opzij.' Dat was begin augustus, 'de straat' was Madison Avenue, en als conservatieve guerrillastrijders in de liberale hoofdstad van een blue state hadden de McCain Manhattanites zich in McCain-T-shirts gehuld en McCain-buttons opgespeld, en liepen ze in de Upper East Side op en neer. 'We werden nog net niet bespuugd,' grapt Asuncion - een vierkante dertiger met een opgewonden stem en een montuurloos brilletje. De Jonge Republikeinen in de zaal - zakentypes in suits and ties, Blackberry's binnen handbereik - gniffelen vrolijk met hem mee.

Ontevredener over Bush
Jonge kiezers - tussen achttien en negenentwintig jaar oud - beslaan met vierenveertig miljoen zielen ruim twintig procent van het Amerikaanse electoraat. Dat percentage is groeiende, en ze komen ook in steeds grotere getale naar de stembus. Lag de jongerenopkomst bij de verkiezingen van 2000 met 42 procent nog ver beneden het nationaal gemiddelde, in 2004 bracht al bijna 52 procent van de jongeren een stem uit. En wie op de primaries van begin dit jaar afgaat, waarbij volgens het Center for Information and Research on Civic Learning and Engagement de opkomst onder jongeren bijna was verdubbeld ten opzichte van de voorverkiezingen in 2000, kan haast niet anders dan in november een record turnout onder jongeren verwachten.

Deze generatie - afwisselend Generation Next, Generation Y of the Millennials genoemd - is, volgens een onderzoek van het PEW Research Center, multicultureler en liberaler dan ooit. De jongeren van nu staan toleranter tegenover homoseksualiteit, immigratie en ras dan oudere generaties; ze zijn ook minder religieus, beter gewend aan niet-traditionele samenlevingsvormen, en bovendien opgegroeid in een digitale wereld die, door technologische ontwikkelingen, constant verandert. Tachtig procent van de Amerikanen vindt dat het land de verkeerde kant op gaat, en de approval ratings voor Bush schommelen al tijden rond de dertig procent; maar jonge kiezers zijn nóg ontevredener over de prestaties van hun president dan bijvoorbeeld Generation X of de babyboomers. Volgens Rock The Vote, een organisatie die met behulp van popsterren de politieke participatie van jongeren wil bevorderen, zijn jonge kiezers ook feller tegen de oorlog in Irak gekant dan de bevolking als geheel, en meer betrokken bij milieu en klimaat.

Tel daarbij op dat de Obama-campagne ongekend succesvol is in het gebruik van internet om kiezers te bereiken en te mobiliseren, dat jongeren het meest online zijn, en dat Barack Obama met zijn zevenenveertig lentes een jeugdige uitstraling heeft die door het contrast met de tweeënzeventigjarige John McCain alleen maar wordt versterkt, en het is niet gek dat de youth vote haast synoniem lijkt met een stem voor de Democraten. Of zoals David Frum, conservatief denker en voormalig speechschrijver voor George W. Bush, het onlangs formuleerde: de jongeren van vandaag zijn 'the most anti-Republican age group in the electorate'.

Liberaal bolwerk
Ooit was het anders. Barry Goldwater, de conservatieve presidentskandidaat in 1964, genoot bijna net zo'n heldenstatus onder jongeren als Obama nu. Voor een Goldwater-rally in Madison Square Garden kwamen in 1962 achttienduizend jonge conservatieven op de been. 'Dat lukte ons Democraten toen niet,' zegt Todd Gitlin, politicoloog en socioloog aan Columbia University, en destijds voorzitter van het liberale Students for a Democratic Society. 'Goldwater was hun held, hun redder, hun idool.'

Toen Ronald Reagan in 1984 president werd, stemde 59 procent van de jongeren op hem, en vier jaar later schaarde de meerderheid van de jeugdige kiezers zich achter George H.W. Bush - de jongeren van eind jaren tachtig en begin jaren negentig waren de meest Republikeinse leeftijdsgroep. Maar sindsdien zijn jongeren allengs Democratischer geworden. John Kerry kreeg in 2004 de meerderheid van de youth vote, en bij de tussentijdse verkiezingen in 2006, toen de Democratische Partij zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden in handen kreeg, stemde 60 procent van de jongeren Democratisch. Uit een peiling van ABC en de Washington Post, afgelopen zomer, bleek dat 44 procent van de dertig-minners zichzelf Democraat noemde; slechts 18 procent omschreef zich als Republikein.

Volgens Gitlin valt de Democratische aantrekkingskracht vooral te verklaren als een beweging weg van Bush. 'De Bush-jaren zijn verwoestend en polariserend geweest. De Republikeinse partij wordt als één met George Bush gezien, en komt daardoor als onherkenbaar, klunzig, en achterlijk op jongeren over. Daar zetten ze zich tegen af.' In zo'n klimaat zijn de jongeren die Bush' beleid niet categorisch afwijzen, die zich hard maken voor olieboringen langs de kust van Alaska, urban sprawl een goede zaak vinden en ondanks de economische malaise, de torenhoge staatsschuld en groeiende ongelijkheid mordicus tegen belastingverhoging zijn, een uitzondering.

Een 'minority', zegt Karen Sautter (30), vice-voorzitster van de Young Republican National Federation. De onderzoekster aan de Boston University School of Public Health studeerde aan Wellesley College (het all women's college waar ook Hillary Clinton haar diploma behaalde) en Yale University. Daar viel haar op 'hoe ondervertegenwoordigd en onbesproken Republikeinse ideeën zijn in het intellectuele discours'. Het is een gemeenplaats: Republikeinen bestempelen Amerika's academische wereld graag als een liberaal bolwerk, en Barack Obama doet het met name onder college students erg goed. Conservatieve groepen, zoals het vijf jaar geleden door de activist en schrijver David Horowitz opgerichte Students for Academic Freedom, ijveren voor 'het recht van studenten om vrij te zijn van political harrassment in het klaslokaal' en eisen dat universiteiten de politieke kleur van faculteitsleden toetsen vooraleer ze hun een vaste aanstelling geven.

'Het is lastig om in de academische wereld van de liberale norm af te wijken,' zegt Sautter. 'Je loopt al gauw tegen vooroordelen aan: wij zijn haatdragende mensen die grote corporaties steunen en onschuldige burgers willen doden omwille van olie.' Begin augustus richtte Sautter de website ThisIsMyParty.org op, bedoeld om 'jonge Amerikanen die trots, onverzettelijk, en zonder excuus voor de Republikeinse partij kiezen' een stem te geven. Jonge Republikeinen kunnen er een profiel aanmaken en opschrijven waarom ze het gedachtegoed van de Grand Old Party aanhangen. 'Ik maak me zorgen om immigratie, en de Republikeinse partij doet dat ook!' schrijft Brandon uit Georgia op de site. 'Ik geloof in een sterke nationale defensie en een vrije markt,' aldus Mark uit Illinois.

Weinig populair
Jonge Republikeinen, met name zij die zich niet in de bible belt en de South-West bevinden, maar in de hoger opgeleide kringen aan de oost- en westkust, zijn inderdaad een minority. Daarmee zijn ze ook, paradoxaal genoeg, tegendraadser dan leeftijdgenoten die in koor de mantra van Barack Obama - 'Change' - meezingen. In een generatie voor wie het liberale gedachtegoed mainstream is, is de ware rebel een conservatief.

'Ik ken eigenlijk niemand die zo conservatief is als ik,' zegt Vlad Kucherov (21), een film major aan New York University, die in Moskou werd geboren en op zijn tiende naar Amerika verhuisde. Toen John McCain tijdens de conventie zijn acceptance speech hield en een stuk of zeventig College Republicans in een universiteitszaaltje de live-registratie bekeken, gaf Kucherov als enige een staande ovatie toen McCain opriep om 'op te staan en te vechten'.

'Waarom ging het mis in de Sovjet-Unie?' zegt Kucherov. 'Bureaucratie. Dat krijg je als je te veel wilt reguleren, en daar gaan systemen aan ten onder.' Met zijn conservatieve ideeën wijkt Kucherov af van zijn liberale medestudenten. Dat hij zich zo weinig populair maakt, kan hem niet zoveel schelen: 'Soms houd ik in de collegezaal mijn mond, omdat ik moe ben en geen zin heb met vijftig, zestig liberals in discussie te gaan, of voor idioot te worden uitgemaakt. Maar meestal zeg ik gewoon wat ik vind - tijdens de debatlessen op de middelbare school speelde ik ook altijd advocaat van de duivel.' Vorig jaar vroeg hij zijn Amerikaans staatsburgerschap aan, zodat hij in november ook mag stemmen. Het zal in New York niet heel veel uitmaken; de staat geldt als een inkoppertje voor Obama. Maar, zegt Kucherov, toen hij hier in de vijfde klas zat 'heeft mijn lerares gezegd dat, als je niet stemt, je ook geen recht hebt om te klagen over de regering'.

Postmodern
'Ik ben van nature tegendraads,' zegt Reihan Salam (28), een schrijver van Bengaalse afkomst. Zijn boek Grand New Party: How Republicans Can Win the Working Class and Save the American Dream - een 'blauwdruk om een nieuwe Republikeinse meerderheid te bouwen' - kwam begin deze zomer uit en werd niet alleen door gezaghebbende conservatieve denkers als William Kristol en David Frum goed ontvangen; ook het liberale weekblad The New Yorker liet zich positief uit over de prestatie van Salam en zijn co-auteur Ross Doughat.

Salam studeerde aan Harvard ('daar zijn Democraten zwaar in de meerderheid') en werkt nu voor de denktank New America Foundation en het maandblad The Atlantic. 'De Republikeinen hadden vlak na 9/11 hun kans moeten grijpen - de denkbeelden van jongeren werden uitgedaagd, de stemming in het land was kantje boord,' zegt hij. 'In 2002 waren jongeren nog ongeveer fifty-fifty verdeeld, en toen hadden we ze voor ons moeten winnen. Sinds 2003 gaan de Democraten in de peilingen omhoog - de oorlog in Irak heeft het politiek denken van een hele generatie jongeren gevormd.'

Salam wil de Republikeinse partij drastisch hervormen - vandaar het 'New' in de titel van zijn boek. Zulke veranderingszucht lijkt moeilijk te rijmen met het cultureel conservatisme dat hij uitdraagt - de toekomstvisie van de Grand New Party doet denken aan een Balkenende-achtig ideaalbeeld van de jaren vijftig. Maar nu een hele generatie de Republikeinse partij de rug toekeert en de verschillende stromingen binnen de Grand Old Party (de Theocons, de Neocons en de anti-belasting-Cons) het steeds minder met elkaar eens zijn, is een nieuwe koers onvermijdelijk, vindt Salam.

Er zijn meer jonge conservatieven die, terwijl ze enerzijds 'ho, stop' roepen waar hun leeftijdsgenoten 'verandering' eisen, anderzijds wél een nieuwe koers voor hun partij willen. Het weblog The Next Right, bijvoorbeeld, opgericht door Patrick Ruffini (30), een internetstrateeg die van 2005 tot 2007 als eCampaign Director voor de partij werkte. 'Rechts blijft ver bij links achter op het gebied van een online politieke infrastructuur,' schreef Ruffini bij de lancering van The Next Right, dat bedoeld is om 'te debatteren over de stappen die conservatieven moeten nemen om een Republikeinse meerderheid te bouwen'.

De historicus Kevin Mattson kwam met de term postmodern conservatism voor de manier waarop conservatieve denkers zich de definities en tactieken hebben toegeëigend die, met het postmoderne denken, de academie en de samenleving binnenkwamen. De term lijkt ook op de jonge Republikeinen van toepassing. Voorbeeld is de neiging om zichzelf als minority te omschrijven: naast Afro-Amerikanen, vrouwen en homo's eisen nu ook de blanke, veelal mannelijke, Republikeinen een plaats in de identiteitspolitiek. Ook gebruiken jonge Republikeinen de op diversity gebaseerde argumenten waarmee de Students for Academic Freedom hun universiteiten confronteren met het recht om hun mening te laten horen.

Voor veel jonge, hoogopgeleide conservatieven geldt bovendien Europa tegenwoordig als het tegenbeeld, zo niet schrikbeeld, van de Verenigde Staten. In Grand New Party schetsen Douthat en Salam hoe een Europeanized Amerika, door een Democratische regering teweeggebracht, er uit zou zien: 'Stel je hogere belastingen voor, een enorme publieke sector, geïnfantiliseerde mannen en vrouwen die tot ver na hun dertigste bij hun ouders blijven wonen omdat ze niet genoeg verdienen om zelf een huis te kopen (...) een krimpend geboortetal omdat het opvoeden van kinderen steeds duurder wordt, en een groeiende stroom immigranten die worden geïmporteerd om het werk op te knappen. (...) Dit zou een enorm verlies betekenen voor alles dat het Amerikaanse leven zo bijzonder maakt.' Daar kan Kucherov zich in vinden. 'Veel van mijn leeftijdgenoten willen naar het buitenland, naar Azië en Europa. Daar zien ze dat Amerika minachtend wordt bekeken, en daarom willen ze dat Obama wint, zodat ons imago beter wordt in het buitenland. Maar so what als de rest van de wereld ons niet respecteert? Daar zitten vast nadelen aan, maar je land moet toch eerst en vooral trouw aan zichzelf blijven.'

Luiheid
Als er iemand is die, volgens de legende, trouw aan zichzelf blijft, dan is het John McCain. Hij liep al in Washington rond toen de meeste van deze kiezers nog niet eens geboren waren, en lijkt niet erg voor de hand te liggen als symbool van vernieuwing of verjonging. Maar volgens Wil Westholm, voorzitter van de Arizona Young Republican League en medeoprichter van ThisIsMyParty.org, spreekt McCains tegendraadsheid jongeren aan. 'Zelfs wanneer het politiek niet opportuun is, doet McCain waar hij in gelooft; hij steunde bijvoorbeeld de surge in Irak toen die nog helemaal niet populair was.'

Reihan Salam is minder onverdeeld enthousiast: 'McCain was idiosyncratisch, maar wordt dat steeds minder,' zegt hij. De keuze voor de aartsconservatieve, evangelische Sarah Palin is voor Salam vooral een teken van McCains bereidheid concessies te doen: 'En dat is een probleem voor mensen als ik, die de partij willen hervormen - luiheid. Toen de Democraten in 2006 het Congres wonnen, leek het erop dat we de dingen anders zouden gaan aanpakken. Maar McCain gebruikt gewoon weer dezelfde formule die de Republikeinen altijd hebben toegepast, en als we daarmee winnen, zullen mensen niet bereid zijn zich te heroriënteren.' Hij zal niet zo ver gaan te zeggen dat hij hóópt op een verlies in november. Maar, zegt de jonge hervormer: 'De Republikeinse partij heeft echt problemen, en een overwinning zal die maskeren. En dan verandert er wéér niets.'

De meeste jonge Republikeinen denken daar anders over. Bij de New York Young Republican Club vertelt Asuncion hoe het verder ging met McCain Manhattan: 'De tweede keer waren de reacties al stukken beter, en bij de derde optocht kwamen mensen naar ons toe en vroegen om buttons die we niet meer hadden. De trots op McCain groeit!'

Ook Kucherov is trots: 'Het is waar dat McCain niet hetzelfde enthousiasme teweegbrengt als Obama, maar hij zegt tenminste wat hij vindt. Veel van de dingen die hij heeft gedaan, zoals de immigratiewet die hij samen met Democraten voorstelde, have pissed Conservatives off.' McCain, zegt Kucherov, 'is bereid om tegen de stroom in te gaan'. Rebels zijn, dat is wat een echte conservatief te doen staat.

Election Mania...in Europe
Columbia Journalism Review / 9 mei 2008

On a Wednesday a couple of weeks ago, French, Dutch and Polish camera crews gathered in a small studio on Park Avenue. All were correspondents for TV news networks in their respective home countries, and all had come to interview Amber "Obama Girl" Lee, who was in New York shooting a video for her latest song. (Her debut, "I Have a Crush...on Obama, " launched on YouTube in June, has been viewed, in a conservative count, 8 million times.)

» Meer

The Dutch correspondent made his item about "Elections 2.0," on the role of YouTube in the race for the White House; the Polish team, meanwhile, interviewed the Dutch reporter as part of a story about how a young girl with a crush on a potential presidential candidate was now conquering the world with her videos.

European media are covering the run-up to the November '08 presidential elections with an unprecedented intensity and frequency. In the Netherlands, for example, the primaries have been covered extensively on public television, radio, and the front pages of national dailies since they began; and whether Obama or Clinton will stand a better chance against McCain is a hot topic of debate among students, politicians, media pundits, and housewives alike.

Dutch politicians 'endorse' candidates; newspaper editorials assess the campaign; translated (auto)biographies of McCain, Clinton and Obama are all over the place; and Dutch journalists, former correspondents, and "America-watchers" have published books with such inspiring titles as The Best One Never Wins, Hurray! A New President, and The Fight for the White House. The news and opinion weekly, ElsevierA Bound Man: Why We Are Excited about Obama and Why He Can't Win (although both the author and the publisher are still debating the appropriateness of the title), and has featured Obama, Clinton and McCain on its cover; Nieuwe Revu, another weekly, ran a feature about Giuliani when he was still in the race.

Technical advances are at least part of the reason the coverage is more extensive this time around. Major newspapers have all devoted special sections of their Web sites to the elections, with wire news, blogs, and original reporting.

"This just wasn't possible four years ago," says Pieter Broertjes, editor in chief of the Volkskrant, a leading national daily, which is running an election special on its Web site. (The Volkskrant site even features a "Voting Compas," a questionnaire through which Dutch readers can find out which candidate they should support - even if the majority of the country's 16-odd million citizens won't be able to cast a vote.) NOS, the national news network, has dispatched three correspondents to Washington to cover the elections, and according to Hans Laroes, NOS's editor in chief, "their output is much bigger" than it was four years ago. In April alone, Nova, the premier current affairs program on Dutch public television, aired twenty-eight items related to Clinton, Obama, or McCain; by comparison, the total number of items devoted to Kerry and/or Bush during the 2004 general election was thirty-one.

The Dutch, it seems, can't get enough of American election news - and they're not alone. US elections have always been important media events in Europe, if only because U.S. foreign policy simply affects Europe - especially "Atlantically Oriented" nations like the Netherlands, Germany and the UK. But across the board, this year's coverage already outsizes that of 2000 and 2004 by far. And the general election hasn't even started yet.

According to Salvatore Scrimenti, Program Officer for the Netherlands, Germany and France at the Foreign Press Center in New York, an agency of the U.S. State Department, there is "a lot more interest on behalf of the foreign press. In addition, the foreign press centers, unlike 2004, are conducting press tours to many of the battleground primary states, which we did not do during 2004." These tours, he added, are always filled to capacity.

"It's because it's so exciting," says Pieter Broertjes of the Volkskrant. The elections are much more interesting for Dutch audiences, Laroes notes, because no incumbent president is participating in them. Or, as one TV correspondent, Willem Lust, puts it: "It's an open-ended race, and the candidates are historically unique" - a reference, of course, to Hillary Clinton's gender, and Barack Obama's race.

Indeed, fascination with the Democratic candidates seems to be part of it, too. "Obama Mania" has hit even European politicians: the leader of the Italian Democratic Party, Walter Veltroni, campaigned (in vain) with the slogan "Si, Puo Fare" ("Yes, We Can"), and Dutch Labor Party MP Diederik Samsom has been reported as obsessively forwarding Internet videos of Obama's speeches to his colleagues, adding, "We should do the same!"

But at the heart of the European media's election craze lies more than just the thrill of an open- ended race or the exoticness of the candidates. Attention is unlikely to drop once the battle between Clinton and Obama is over. To the contrary: the European campaign coverage will likely go "full speed on to the White House." For the first time, the Foreign Press Center will be present at both party conventions; and Hans Laroes has said that his team in Washington will be expanded in the six or eight weeks preceding the actual elections, so that "even more reports" can be filed. And Election Day (which, in GMT+2 is Election Night, really) will be broadcast live for the first time.

As Laroes puts it, mildly: "Bush's policy has been rather polarizing, so there's a lot of interest in a 'different politics.' " Europeans desire change, and their media deliver the stories of the run-up to that change. "It's much more than just Clinton-Obama," Laroes says. "It's about the country itself, profoundly so."

De brandweerwagens der immigratie: Nederlandse denkers in New York
Groene Amsterdammer / April 2008

Het was de warmste lentezaterdag tot nu toe, en in een conferentieruimte van Columbia University had een groepje polderlandse intellectuelen zich in alle vroegte verzameld voor een conferentie over 'Immigrants in Europe: Politics, Media and Literature'. De dag ervoor had keynote speaker Paul Scheffer het spits afgebeten met een lezing over wat Nederland immigratiegewijs nog van Amerika kan leren: in de VS is immigratie altijd samengegaan met 'een heruitvinding van Amerika en wat het betekent om Amerikaan te zijn', en die mogelijkheid dient zich nu ook in Nederland aan: migranten en autochtonen tezamen moeten zich beraden op een nieuwe definitie van Nederlanderschap.

» Meer

Hoewel de conferentie, georganiseerd door Columbia's 'Dutch Program', een eenvrouwsoperatie die elk jaar een groepje Amerikaanse studenten inwijdt in de basics, en niet-zo-basics, van de Nederlandse taal, officieel over immigranten in Europa zou gaan, bleek al snel dat 'Muslims in the Netherlands' waarschijnlijk een betere titel was geweest, getuige de voorbeelden die Scheffer in zijn lezing aanhaalde (moskeeën in Hollandse dorpen, Marokkaanse jongens die verontwaardigd zijn over ongelijke behandeling bij sollicitatiegesprekken, maar niet over de ongelijkheid tussen man en vrouw, homo en hetero) en de sprekers die zaterdagochtend aantraden, na een avond van wijn en Italiaans eten in een restaurant op Amsterdam Avenue. Stephan Sanders vertelde over Hafid Bouazza, 'als voorbeeld van hoe een moslim óók kan zijn', taalwetenschapper Liesbeth Koenen hamerde er in 'Why They Won't Speak Decent Dutch' op dat beleidsmakers zich beter op sociale en culturele oplossingen kunnen richten dan op het toetsen van taalachterstand onder driejarigen, en Yasmine Allas hield, hoewel haar stem haar enigszins in de steek liet, een vlammend betoog over de taak van liberale moslims.

Vooral verrassend was de presentatie van New York University-professor Martin Schain, die met behulp van Powerpoint en ingewikkelde grafieken aantoonde dat Nederland, vergeleken bij Duitsland, Engeland en Frankrijk, het hardst heeft geprobeerd om immigranten zowel op sociaal-economisch als op cultureel gebied te laten integreren: 'Nederland had het meest serieuze integratiebeleid van de vier. Sterker nog, het was het enige land dat überhaupt een integratiebeleid hád!' Maar paradoxaal genoeg was die integratie in Nederland ook het minst geslaagd, of - halfvol, halfleeg - het meest mislukt.

Hoe dat mogelijk was, wist Schain ook niet, 'maar het is in elk geval erg interessant'. Helaas had de combinatie statistiek en een vroege zaterdagochtend het merendeel van de aanwezigen behoorlijk lamgeslagen, en zelfs Scheffer kon geen verklaring vinden. Waarop een jonge Nederlandse statistiekdocent van de State University of New York, wiens fris gelaat verried dat hij de avond ervoor waarschijnlijk niet aan het drankgelag had meegedaan, zich in de discussie mengde en een voorbeeld aanhaalde dat hij vaak in zijn lessen gebruikt, namelijk dat er een positieve correlatie bestaat tussen het aantal brandweerauto's dat uitrukt bij een brand en de grootte van de brandschade. Je zou verwachten dat meer brandweerauto's minder schade opleverden, en meer beleid minder problemen, maar oorzaak en gevolg lopen niet altijd in de richting die je denkt.
Waarop het ochtendprogramma al ruim drie kwartier was uitgelopen. Tijd voor een lunchpauze van anderhalf uur - een luxe in de non-stopeconomie van New York misschien, maar naar goed Nederlands gebruik.

'Ik wil wel een keertje met jou afspreken'
de Volkskrant / 6 juli 2006



De galeriehoudster Juliëtte Jongma speurt op de eindexamen-expositie van de Amsterdamse Rietveldacademie naar jong talent. 'Je probeert in te schatten of iemands werk stevig genoeg is.'

» Meer

'Hoe zou dit nou gemaakt zijn' De neus van galeriehoudster Juliëtte Jongma drukt bijna tegen het kunstwerk aan, zó onderzoekend is haar blik. 'Het is collage, op hout, en heeft ook iets grafiekachtigs.' Speurend kijkt ze om zich heen op zoek naar visitekaartjes, maar die zijn nergens te bekennen.

's Middags pas wordt All these things that I've done - Finalworks 2006, de afstudeertentoonstelling van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam, officieel geopend. Veel van de 187 afgestudeerden leggen nu nog de laatste hand aan de presentatie van hun werk. Zo ook Denise Rosenboom, die juist komt aanlopen, een fles Glassex in de hand. 'Mijn visitekaartjes zijn onderweg', zegt ze verontschuldigend.

De eindexamenexpositie van een kunstacademie: voor studenten is dit hét moment om hun werk te tonen - niet alleen aan trotse ouders en nieuwsgierige vrienden, maar ook aan recensenten, galeriehouders en curatoren. Galeriehouders op hun beurt maken van de gelegenheid gebruik om te zien welk vlees de jongste generatie kunstenaars in de kuip heeft - en om eventueel iemand te 'scouten' voor hun galerie.

Juliëtte Jongma (33) begon haar galerie, Galerie Juliëtte Jongma in Amsterdam, twee jaar geleden. Daarvoor maakte ze tentoonstellingen voor onder meer Galerie Diana Stigter. Inmiddels werkt ze met zo'n twaalf kunstenaars uit binnen- en buitenland, van allerlei disciplines. 'Ik hoop iets te zien dat me verrast, waarvan ik denk: dit is overtuigend, hier wil ik wat mee doen.'

In en om de twee academiegebouwen is het druk. Licht en geluid worden getest, tafels uitgeklapt, een conciÎrge schiet uit zijn slof omdat zijn verbod een bepaalde ingang te gebruiken met voeten getreden wordt. 'We've come through', staat er op affiches bij de ingang.

Met haar hippe vilten tas, witte outfit en grote zonnebril oogt Jongma eerder als een van de studenten dan als een galeriehoudster op talentenjacht. 'Studenten weten zelden wie ik ben. Dat is prettig, dan worden ze ook niet zenuwachtig, kan ik rustig vragen stellen.'


Van Denise Rosenboom wil Jongma niet alleen de techniek weten - 'thinnerdrukken met houtskool' - , maar ook wie haar hedendaagse voorbeelden zijn.

'Ik ben eigenlijk vooral fan van oude kunstenaars, zoals de Vlaamse primitieven.' Jongma knikt zuinigjes, wenst de kersverse kunstenares succes, en loopt verder de expositie op.

'Ik probeer uit te vinden of iemand zijn werk in een hedendaagse context kan plaatsen', verklaart ze. 'Niet dat een kunstenaar een kunsttheoreticus hoeft te zijn, maar ik verwacht wel dat ze op een gegeven moment weten welke andere kunstenaars op hun vlak bezig zijn.' Het werk van Rosenboom doet haar denken aan Martha Colburn, Iris van Dongen en Juul Kraaijer, en dan 'moet je dat soort namen eigenlijk wel kunnen ophoesten'.

'Oei, hier lopen we maar even door', zegt Jongma bij een opstelling waar een stuk of tien monitoren elk een ander filmpje tonen. 'Dit is te veel om je te kunnen concentreren. Dat moeten mensen ook leren: less is more. Een beginnersfout.' De kunstenaars die JuliËtte vertegenwoordigt zijn jong - tussen de 24 en 38. Twee keer eerder werkte ze met pas afgestudeerden. Daar zit een risico aan: 'Niet iedereen blijft kunstenaar. Ik ben geïnteresseerd in langdurige relaties, niet: die was in 1993 kunstenaar en in 1995 webdesigner.'

In de periode na het afstuderen moet duidelijk worden wie als kunstenaar overeind blijft. De veilige academiemuren vallen weg en de graduates moeten zelf op zoek naar studioruimte en geld. 'Het geijkte pad is: een startstipendium aanvragen en je aanmelden voor een tweede-faseopleiding. Studenten die van de academie afkomen hebben meestal geen netwerk, en geen flauw benul hoe ze hun werk moeten tonen. Daar zouden academies meer aandacht aan mogen besteden.'

Waar de galeriehoudster op let, bij een tentoonstelling als vandaag 'Je probeert in te schatten of iemands werk stevig genoeg is. Een volwassen houding en kennis van wat er gebeurt in de hedendaagse kunst - daar kun je uit opmaken hoe serieus iemand is.'

'Hé, Gijs!' In de gang op de eerste verdieping loopt Jongma Gijs Müller tegen het lijf, docent aan de academie en verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de expositie. 'Heb jij nog iemand aan te raden' Müller dirigeert Jongma naar buiten, waar student Architectonische Vormgeving Elmo Vermijs een installatie heeft gemaakt.

Galeriehouders bezoeken eindexamenexposities zelden op de bonnefooi, maar laten zich inlichten door collega's en docenten. 'Gijs heeft de studenten lange tijd gevolgd en weet wie de moeite van het bekijken waard is.'

Bij de binnenplaats tussen de twee academiegebouwen aangekomen, blijkt dat Müller haar voorkeur goed heeft ingeschat. 'Dit vind ik mooi!'

De tengere, blonde Vermijs, door Müller uit de kantine geplukt, komt aangesneld. 'Ik werd geïnspireerd door de metro in Barcelona', vertelt hij over zijn Verbindingsgang, waar bezoekers doorheen moeten lopen en met elkaar geconfronteerd worden. Jongma complimenteert hem en noteert het adres van zijn website. Dan snelt ze, op aanraden van Müller, door naar de kelder.

Hoewel ze onder de indruk is van Vermijs' werk, komt hij voor haar galerie niet direct in aanmerking. 'Germaine Kruip, een kunstenares die ik vertegenwoordig, begeeft zich op hetzelfde vlak. Je wilt niet dat je kunstenaars te veel in één hoek zitten. Maar ik onthoud zijn naam, wie weet kan ik hem aanraden aan iemand anders. Waar moest ik nou nog meer naar kijken van Gijs? Pieter Paul Pothoven, is dat hier?'

'Hierzo!' Pieter Paul Pothoven, een lange jongen in een keurige trui, wenkt Jongma de schemerige kelder binnen waar zijn werk staat opgesteld. Nieuwsgierig loopt de galeriehoudster naar een lage, biljartachtige tafel waarop een grote witte dobbelsteen zonder cijfers ligt. 'Pieter Paul, vertel eens.'

'Dit is een pratende dobbelsteen, de zijde die omhoog ligt, spreekt.' Pothoven demonstreert de werking, en Juliëtte informeert of hij heeft nagedacht hoe dit werk verkocht kan worden. 'Dit is een uniek werk dat ik nooit meer zal maken als iemand het koopt. Maar het idee blijft wel mijn bezit.'

Jongma knikt en luistert belangstellend naar het verhaal over zijn andere twee werken: een documentatievideo van een tennisballenkanon - 'een beetje zoals Roman Signer doet' - en een enorme bal van spaanplaat. 'Deze bal is gebaseerd op de Sisyphus-problematiek. Sisyphus, ken je de beste man Camus heeft er veel over geschreven.'

Wanneer Pothoven zijn toekomstplannen ontvouwt - 'Ik ga een startstipendium aanvragen, een tijdje naar Berlijn, en over een jaar of twee een postgraduate doen' - glimlacht ze besmuikt. 'Ik wil wel een keertje met jou afspreken', zegt ze dan.

'Oké' - de stem van Pothoven schiet een octaaf omhoog, maar hij vermant zich snel en overhandigt Jongma zijn kaartje.

'Mijn hoofd zit vol', zegt Juliëtte Jongma na drie uur intensief kijken, kunstwerken interpreteren en studenten ondervragen. Op naar de kantine dus, voor een kopje koffie, een broodje, een sigaret.

Tussen de horde rokende studenten bij de ingang recapituleert ze. 'Het niveau is hoog.' Over Pieter Paul Pothoven is Jongma het meest te spreken. 'Ik wil verschillende disciplines programmeren, en wat hij doet heb ik nog niet in mijn galerie. Hij wist namen op te noemen uit de heel jonge beeldende kunst en refereert aan literatuur, filosofie en wetenschap. Dan vermoed ik dat hij een heel brede bron heeft om uit te putten, ook mentaal.'

De kans dat Pothoven ergens in de komende vier dagen, want zo lang duurt de tentoonstelling, nog door andere galeriehouders benaderd wordt, is reëel. 'Het is wel eens vechten om de kunstenaars. Gerenommeerde galeries winnen het dan meestal van de jongere galeries, dat heb ik ook wel eens meegemaakt. Je hoopt dan dat iemand voor je kiest omdat ze je galerie kennen, misschien je programma leuker vinden.'

Afwachten dus. Maar dat is het risico van het vak, zegt ze, terwijl ze naar haar fiets loopt. 'Soms win je, soms verlies je.' Voor de afgestudeerden, die in de Gerrit Rietveld Academie de komst van galeriehouders met spanning afwachten, geldt dat net zo goed.

In het spoor van Inuit Nanook
de Volkskrant / 8 juni 2006



Het festival Beeld voor Beeld brengt documentaires als visuele antropologie. De ontwikkeling van de hoofdpersoon staat centraal. En passant leert de kijker een cultuur kennen.

» Meer

In 1920 trok de Canadese ontdekkingsreiziger Robert Flaherty naar het noordelijke Hudson Bay. Gewapend met camera, lampen, ontwikkelapparatuur én kennis van zaken filmde hij zestien maanden lang het leven van de inuit Nanook. Zijn film Nanook of the North, die in 1922 in première ging, markeerde de geboorte van een nieuw documentairegenre.

'Maar Flaherty was niet alleen documentairemaker, hij was ook een van de eerste visueel antropologen', zegt Eddy Appels, directeur van het festival Beeld voor Beeld, dat gisteren voor de 17de keer in het Amsterdamse Tropentheater van start is gegaan. 'De visueel antropoloog doet uitgebreid onderzoek naar een cultuur, verblijft er lange tijd en maakt zo een film van binnenuit.' Omdat veel documentairemakers op dezelfde wijze te werk gaan, wil Appels - sinds vorig jaar directeur - het onderscheid tussen de visuele antropologie en documentaire 'een beetje opheffen'.

Een aantal van de ruim twintig films uit binnen- en buitenland komt dan ook van makers die niet als visueel antropoloog te boek staan. 'Leonard Retel Helmrich bijvoorbeeld. Twee jaar geleden won hij met De stand van de maan de Joris Ivens Competitie van het IDFA, het Internationaal Documentaire Festival Amsterdam. Zijn nieuwste film is nu bij ons te zien.

'Dat Nanook of the North geen echte documentaire was weten we intussen allemaal', zegt Appels. Flaherty regisseerde en manipuleerde de belevenissen van Nanook zorgvuldig en presenteerde het eskimobestaan primitiever en 'authentieker' dan het in werkelijkheid was - een hoofdzonde in de hedendaagse documentairepraktijk. Desalniettemin was de film een groot succes, en ook Nanook zelf werd ongekend populair. Zijn dood in 1924 was wereldnieuws, en jaren later nog verscheen Nanooks beeltenis op servetjes van Berlijnse ijssalons.

Het succes van de eskimo Nanook kwam grotendeels doordat Flaherty zijn hoofdpersoon van zo dichtbij volgde dat het publiek het gevoel kreeg hem 'echt te leren kennen'. Een novum in een tijd waarin etnografische films voornamelijk bestonden uit sfeerbeelden van poserende inheemsen. Veel van de films op Beeld voor Beeld treden in Flaherty's voetsporen.

In Retel Helmrich's Promised Paradise staat de Indonesische troubadour-poppenspeler Agus centraal, die probeert te achterhalen waarom zijn land geteisterd wordt door terroristische aanslagen. In The mothers' house steelt de jonge puber Micha, die zich temidden van drugs, aids en agressie in een Zuid-Afrikaanse township probeert staande te houden, de show.

En passant worden cultuur en levenswijze in respectievelijk Indonesië en Zuid-Afrika ontsloten, maar de ontwikkeling van de hoofdpersonen staat voorop.

In Musafir wordt niet een persoon, maar een fenomeen belicht: de Indiase muziekgroep Musafir, waarin muzikanten uit verschillende religies en kasten volksmuziek maken. En de maker van openingsfilm The happiest people in the world keerde na tien jaar terug naar zijn geboortestad Dhaka, om een aantal oude vrienden op te zoeken.

Met het oprekken van de definities van visuele antropologie en documentaire slaat Eddy Appels twee vliegen in één klap. Hij kan films programmeren die anders de boot zouden missen én hij boort een nieuw publiek aan. 'Visuele antropologie wordt geassocieerd met wetenschap, het kijken naar vreemde rituelen. Daar komt een bepaald slag mensen op af. De term "documentaire" trekt een breder publiek.'

Appels denkt niet dat Beeld voor Beeld met de nieuwe koers in het vaarwater van het IDFA terecht komt. 'Wij hebben een ander format, proberen de films in een context te plaatsen. Er zijn bijvoorbeeld uitgebreide discussies met filmmakers.'

Dit jaar heeft Beeld voor Beeld voor het eerst een dependance in het Antwerpse Wereldculturencentrum Zuiderpershuis. Ook nieuw is de samenwerking met het digitale kanaal Holland Doc, dat deze week documentaires uitzendt uit de huidige en eerdere edities van het festival.

Door niet-Westerse filmmakers in contact te brengen met een westers publiek, is het festival volgens Appels ook maatschappelijk relevant. 'Beeld voor Beeld is een plein waar mensen uit verschillende culturen elkaar kunnen ontmoeten. Zo kan het begrip ontstaan dat een multiculturele samenleving hard nodig heeft.'

Hoe klinkt Callas op blote voeten?
de Volkskrant / 1 mei 2006



Vergeet piepende tuinhekjes en luisteren bij de schemerlamp. Het hoorspel is hip. Er wordt grif met het medium geëxperimenteerd. 'Heel soms maak ik een geluidje nog zelf.'

» Meer

'Voor de vliegtuigen waarin Callas de wereld over vliegt, heb ik tóch het geluid van straaljagers gebruikt', zegt hoorspelcomponist Jeroen Kuitenbrouwer. 'Dat kan niet, in 1941, maar anders klinkt het zo lullig.' Regisseuse Marlies Cordia geeft hem gelijk: 'Een motorvliegtuig klinkt meer als een halve brommer.'

In de Utrechtse studio van Kuitenbrouwer luisteren beiden naar het geluidsdecor van Sluimer, een hoorspel over het leven van Maria Callas, dat vandaag op cd verschijnt. Een beetje anachronisme moet kunnen, vinden ze. Maar de scène waarin Callas een brief schrijft, moet anders: 'minder viltstifterig', 'penneriger, of beter iets potloderiger'. Balpennen bestonden begin jaren veertig nog niet.

Cordia is een van de oprichters van de Hoorspelfabriek, een productiebedrijf dat hoorspelen produceert en uitgeeft. In het korte bestaan - iets meer dan een jaar - zijn al twaalf hoorspelen uitgebracht; de komende tijd komen daar nog zes bij. Acteurs als Anne-Wil Blankers, Jeroen KrabbÈ en Peter Blok leenden hun stem, en ook Katja Schuurman heeft haar diensten al aangeboden.

Het hoorspel is hip. Niet alleen in de Hoorspelfabriek, maar ook daarbuiten wordt grif met deze kunstvorm geëxperimenteerd; in theaters en geluidsinstallaties, op kunstacademies, festivals en internet. Voor een kunstvorm die jarenlang op sterven na dood werd verklaard, oogt het hoorspel springlevend.

Vergeet piepende tuinhekjes en ouderwetse grindbakken; de geluidsdecors van de nieuwe generatie hoorspelen zijn gelikt en gelaagd. Ook de onderwerpkeuze is ambitieus. Zo gaat Niemandsland van de jonge auteur Barry Hofstede over getraumatiseerde Bosnië-soldaten, en in Radio Noord Suriname - onlangs bekroond met de prestigieuze mediaprijs Prix Italia - valt het kabinet Balkenende en schiet Suriname Nederland te hulp.

In studio Kuitenbrouwer klinkt de stem van actrice Yvonne van den Hurk, die een slapeloze Maria Callas vertolkt. Op de achtergrondgeluid klinkt een dreigend gezoem, afgewisseld met flashbacks waarin spannende muziek, aria's van de echte Callas en razende vliegtuigen over elkaar heen buitelen.

De tekst van Sluimer werd geschreven door de 26-jarige Melissa Prins - ze studeerde er mee af aan de schrijversopleiding van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Met de Rotterdamse theatergroep Fatale Meisjes werkt ze nu aan Verhalen van de Voorbank, een hoorspeldrieluik over angst, dat het publiek in drie speciaal vormgegeven auto's kan beluisteren.

'Bij het schrijven voor hoorspelen heb je veel meer vrijheid dan bij theater', zegt Prins. 'Je kan echt in de hoofden van je personages kruipen, gedachtes uitwerken.' Ook fijn, voor een schrijver: 'Acteurs hebben ontzettend veel respect voor de tekst. Ze veranderen er geen letter aan.'

Wat het hoorspel zeker ook aantrekkelijk maakt voor jonge creatieven, zijn de lage productiekosten. Dankzij technologische ontwikkelingen is het stukken goedkoper dan film of theater. Cordia: 'Er is geen producent die zegt: een scène op een schip? Dát is te duur, die schrappen we.'

Waar theater en film vaak wekenlange repetities en opnames vereisen, volstaan voor een hoorspel één of twee studiodagen. Een uitkomst voor wie geen aanzienlijk budget ter beschikking heeft.

Distributie is in het digitale tijdperk doodeenvoudig. In een paar minuten zijn studio-opnames omgezet in een MP3-bestandje, dat via e-mail zó bij de componist ligt.

Voor geluiden als ritselende lakens of druppelende kranen hoeven componisten al lang geen toeren meer uit te halen. 'Ik haal mijn geluiden meestal gewoon van cd's', zegt Kuitenbrouwer, die behalve hoorspelen ook radio- en televisietunes maakt. 'Heel soms, als ik een geluidje nog niet heb, maak ik het wel zelf.' Zo liep hij voor het decor van Sluimer op blote voeten door de kamer om Maria Callas die uit bed komt 'te illustreren'. En eigenlijk wil hij nog een ouderwetse typemachine: 'Computergeluiden heb ik al wel.'

Een andere motor achter de opleving van het hoorspel is de populariteit van de i-Pod. Dankzij live-streaming en podcasting weten luisteraars de weg naar moderne producties steeds beter te vinden. Het is de bedoeling dat de uitgaven van de Hoorspelfabriek binnenkort ook 'downloadable' worden. Cordia: 'Dan zet je het op je i-Pod, en als je in de trein zit en geen zin hebt in het geouwehoer van je medepassagiers luister je lekker naar een hoorspel.'

Screened, van radiomaker en regisseur Bert Kommerij, met Piet Römer en Loretta Schrijver in de hoofdrol, is een ander voorbeeld van het hoorspel-nieuwe-stijl. Luisteraars kunnen de afleveringen downloaden naar hun MP3-speler en vervolgens een route in Amsterdam afleggen dankzij instructies in hun koptelefoon.

Kommerij: 'Hoorspelen zijn tegenwoordig hartstikke mobiel. Ze zitten niet meer vast aan die stoel in de kamer met die schemerlamp en die pot met pelpinda's. Dat is écht exit.'

Hoorspelcomponist Jeroen Kuitenbrouwer en regisseuse Marlies Cordia werken in de studio aan een hoorspel: 'Een beetje anachronisme moet kunnen'.

Open Zweeds themadorp zonder schuttingen
De Volkskrant / 18 april 2006



In de vinexwijk Sveaparken bij Schiedam leven de mensen 'heel gezellig samen met elkaar'. Het themadorp is typisch Zweeds: witte hekjes, blote boompjes, kleine tuintjes.

» Meer

Juktan, Tome en Vindel zijn geen bankstellen in een Ikea-catalogus, maar huizen in Sveaparken. Rood, geel of blauw, en betimmerd met hout. De straten heten Odinholm of Elsingborg, het centrale plein Abbaborg. Wie door Sveaparken loopt, waant zich in Zweden, maar is gewoon in Schiedam.

In 1997 werd de eerste paal van deze oer-Hollandse Vinexwijk geslagen. Het nieuwe is er duidelijk nog niet af; de boompjes zijn bloot, de daklijsten spierwit. Op het speelkwartierrumoer bij de basisschool na is de wijk nagenoeg uitgestorven. Toch leven de mensen hier 'heel gezellig samen met elkaar', bezweert oud-wethouder Volkshuisvesting, Stadsvernieuwing, Architectuur en Stedenbouw Adri Reijnhout (58), drijvende kracht achter Sveaparken. Hij glipt tussen twee huizen door, naar een door binnentuinen omringd veld waar lage, onopvallende afscheidingen een doorkijk naar de omliggende woningen bieden. 'Dit is typisch Zweeds. De tuinen zijn klein, maar deze semi-openbare ruimte is voor iedereen. Ouders kunnen hun kinderen in de gaten houden.'

In 1993 wees het ministerie van VROM met de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening het gebied ten oosten van de wijk Spaland-West aan als uitbreidingsgebied. Net als veel andere steden wilde Schiedam hier 'iets bijzonders' neerzetten, 'tijdloos, met een eigen gezicht'.

Reijnhout: 'Eerst dacht ik aan iets in jaren dertig stijl. Maar toen was ik in Zweden en dacht: waarom niet déze architectuur' Een documentaire over de Schots-Zweedse architect Ralph Erskine - 'architectuur moet mensen met elkaar in contact brengen' - deed de rest. Reijnhout kreeg de gemeenteraad enthousiast, Erskine tekende voor het masterplan en drie projectontwikkelaars en vier architectenbureaus namen de uitwerking voor hun rekening. Inmiddels zijn twee deelplannen bewoond en wordt het derde opgeleverd. In 2007 moet het vierde kwartier klaar zijn; dan telt Sveaparken 1053 woningen.

De gemeente zat er bij de ontwikkeling bovenop. Van de verf op regenpijpen tot de hoogte van de tuinafscheidingen; alles is gecoördineerd. De straten zijn smal en kronkelig, 'om auto's te dwingen stapvoets te rijden.' Schuttingen, 'anders dan wit geverfde hekjes met verticale delen dan wel groene hagen met een maximale hoogte van 60 centimeter' zijn verboden. Reijnhout: 'Schuttingen passen niet bij een open sfeer. We willen de individualisering tegengaan.'

Themawijken als Sveaparken vertegenwoordigen, met hun dorpse voorkomen en historische verwijzingen, een nostalgisch verlangen naar geborgenheid en saamhorigheid, legt Reijnhout uit. Volgens Ard de Vries, adviseur stedenbouw en architectuur bij het Atelier Rijksbouwmeester, is het laatste 'wijkje dat met een thema is opgezadeld' nog niet gebouwd. 'Overal verschijnen kleine Eftelingetjes.'

De voorbeelden zijn legio. Helmond ontwierp een middeleeuws stadje, in de Bossche Haverleij verrezen negen kastelen, bij Heemskerk kwam een 'vestingstad' van de tekentafel waar woonblokken Camelot en Guinevere heten. En Schiedam kreeg dus Sveaparken. De Vries: 'Projectontwikkelaars zijn er dol op.'

Anderhalf jaar geleden voerde de gemeente in Sveaparken een woonkwaliteitonderzoek uit. Vijfenzestig procent van de bewoners noemde de 'mogelijkheden tot sociaal contact'. Negentig procent voelde zich veilig door de 'open structuur'.

Voor Reijnhout, die zich 'al jaren' in de Noordse cultuur verdiept, is het succes van de wijk geen verrassing. 'Het Zweedse concept wérkt.'

Maar toch - had er ook een Spaanse barriada kunnen komen, als hij een liefhebber van het Spaanse wonen was geweest 'Ja. Maar ik ben nu eenmaal verknocht aan Scandinavië.'

Verlangen naar een lach en een traan: Nacht van de Poëzie
de Volkskrant / 27 maart 2006

'Ik weet niet hoe het met de andere dichters was, maar ik heb het gevoel dat ik achter een groot urinoir sta,' zegt Joost Zwagerman om één uur 'snachts, en hij verruilt het uit houten letters opgetrokken katheder vooreen eenvoudige microfoonstandaard. Dan reciteert hij - nee, rapt hij - een dialoog tussen de gestoorde Roeshoofd en zijn ouders: 'Ik ben al vier /maar mijn vader is groter / want die is al acht.'

» Meer

De 22 dichters op de 26e Nacht van de Poëzie, afgelopen zaterdag in het Utrechtse Vredenburg, hanteren het spreekgestoelte ieder op eigen wijze. Vlaming Peter Holvoet-Hanssen zet er zijn flesje bier op, Pieter Boskma bestiert het, Gerrit Kouwenaar verdwijnt er achter, Charles Ducal lijkt ervan te willen wegrennen en Jan Eijkelboom gaat er in eerste instantie per ongeluk naast staan. De halfblinde Fries Tsjebbe Hettinga is de enige die zijn gedicht uit het hoofd voordraagt en heeft dus geen katheder nodig; ook oud-actrice Liesbeth Lagemaat en performer Diana Ozon doen het zonder.

Acht dichters maken hun Nacht-debuut en co-presentator Menno Wigmanbeleeft zijn première als gastheer. Het merendeel van de circa 2500 bezoekers is er zeker níét voor het eerst, afgaande op hun geroutineerde gedrag en kreten van herkenning wanneer presentator Piet Piryns aan voorgaande jaren refereert. Om zeven uur in de avond gaat de zaal open en twintig minuten later zijn de meeste stoelen bezet door poëzieliefhebbers met een vooruitziende blik. De rest neemt plaats op de grond - als een zeebij vloed kruipen ze steeds dichter naar het podium, en op het hoogtepunt van de avond zit het publiek op de houten vloer zeker acht rijen dik.

'I wish I could understand what the hell you're talking about', lacht de Amerikaanse zangeres Dayna Kurtz, één van de zeven muzikale entr'actes, als ze na Zwagerman het podium beklimt. 'Every now and then someone whispers: "this one is about death".'

Dood en vergankelijkheid zijn inderdaad alom aanwezige thema's. Peter Holvoet-Hanssen dicht over zijn dode moeder, Ed Leeflang over zijn toekomstige orgaan-ontvanger. 'F. Stark is goed met de dood', opent F.Stark, en Jan Eijkelboom hoort 'de stemmen van de overledenen die ik heb liefgehad nog steeds'.

Misschien heeft het met de leeftijd te maken - de jongere generatiedichters laat de dood veelal voor wat ze is en bespreekt aardser zaken. Vrouwkje Tuinman verhaalt over het stadsleven, de nacht en de slaap. Micha Hamel schetst Christina Aguilera op de wc en Thomas Mohlmann vraagt zijn moeder uit de boom te komen.

Grote afwezige tijdens de Nacht van de PoÎzie is de actualiteit. Pastegen half twee sluipt die Vredenburg binnen als Dayna Kurtz over 11september zingt, Diana Ozon bezweert dat er geen illegalen bestaan, 'alleen mensen op één aarde', en hekkensluiter Kees van Domselaar de vogelgriep noemt.

Voor politiek en actualiteit is het publiek waarschijnlijk ook niet gekomen. Met een boekenmarkt, biertap, falafeltent en crêperie komt de festivalstemming er goed in - en de bezoekers lijken vooral te verlangennaar een lach en een traan. Ivo de Wijs zorgt met zijn melige 'atletiekserie' voor hilariteit alom en krijgt het luidste applaus. Samen met Gerrit Kouwenaar wel te verstaan, die stram voorover gebogen en verborgen achter het katheder door menig bewonderaar wordt gefotografeerd.

De verkoop van vele kopjes koffie ten spijt - 'minstens 180 liter', schat de barjongen, 'maar nog veel meer bier' - houdt een groot deel van de bezoekers het rond middennacht voor gezien. Eva Cox, Thomas Mohlman, Diana Ozon en Kees van Domselaar dichten voor een allengs leger wordende zaal. Wanneer de laatste entr'acte Nighthawkes at the diner opkomt is er op de vloer ruimte om te dansen. Slechts vijf of zes nachtbrakers hebben daar de energie nog voor. De rest van de poëzieliefhebbende ijzervreters maakt het zichzelf gemakkelijk en gaat erbij liggen. Ogen dicht, en luisteren.






recent


interview


reportage


recensie


anders


over