'Het geheugen is als een spinnenweb'
Vrij Nederland / 18 Augustus 2011


Joshua Foer, 'het broertje van', schreef een bestseller over hoe technologie ons geheugen aantast. 'Een foto vervangt de echte herinnering.'

Ľ Meer

Joshua Foer dacht dat-ie een heel ander boek aan het schrijven was: 'over een bizarre subcultuur vol nerds'. Die subcultuur was de kleine maar fascinerende wereld van de geheugenkunst; de nerds waren mental athletes die elkaar bestreden in het onthouden van lange, willekeurige getallenreeksen, de volgorde van een stok kaarten of alle regels uit een ellenlang gedicht. Foer leerde die subcultuur kennen in 2005, toen hij als beginnend wetenschapsjournalist verslag deed van het National Memory Championship in New York. Hij besefte dat hij 'geen flauw idee had hoe herinnering eigenlijk werkt', verdiepte zich in de geheugenkunst en begon ook zijn eigen geheugen te trainen - 'een oefening in participatiejournalistiek', noemt hij het. In 2006 deed Foer zelf mee - en werd geheugenkampioen. 'En ik dacht: o shit, dit gaat een heel ander verhaal worden.'

Vijf jaar later zit Foer - achtentwintig jaar oud, en met zijn geruite bloes en bebrilde gezicht onmiskenbaar het jongere broertje van - in een ontbijtcafť in midtown Manhattan. Het boek dat hij uiteindelijk schreef, Moonwalking with Einstein. The Art and Science of Remembering Everything, is afgelopen maart verschenen. Het verhaal van de geheugenkampioenschappen vormt hierin de raamvertelling; daarbinnen belicht Foer geheugen en herinnering vanuit wetenschappelijke, cultuurhistorische, en filosofische hoek.

Het boek is een wonderlijke combinatie van journalistiek, memoires en reisverslag: Foer bezoekt wetenschappers, mensen met amnesie en autisten met buitengewoon goede geheugens. Hij traceert hoe het denken over herinnering door de eeuwen heen is veranderd. Aan de hand van zijn eigen ervaring legt hij uit hoe iedereen zijn geheugen kan trainen om moeiteloos het getal Pi tot duizend cijfers achter de komma te reproduceren. Ook beschrijft hij het verband tussen geheugen en expertise, en introduceert hij het 'OK Plateau': het moment waarop je ergens goed genoeg in bent en alleen maar beter kan worden door heel bewust, gedisciplineerd en analytisch te trainen - en zo veel mogelijk te falen.
Complexe materie - maar Foer, die voor zijn ambitieuze project een voorschot van ruim 1 miljoen dollar ontving, wist er een helder, grappig en ontroerend geheel van te maken. Het succes is navenant: de kritieken waren lovend, het boek is een bestseller, de filmrechten zijn al verkocht en er staan achttien vertalingen in de planning (de Nederlandse vertaling: Het Geheugenpaleis. De vergeten kunst van het onthouden, verschijnt 1 september).
Over het welslagen van zijn debuut is Foer bescheiden: 'De existentiŽle angst over de staat van ons geheugen is zo wijdverbreid dat mensen alles aangrijpen wat ermee te maken heeft. Zelfs een boek over geheugenkampioenschappen.'

Herinnering is ook een belangrijk thema in het werk van uw broer, Jonathan Safran Foer. Was u al langer met dit onderwerp bezig, of raakte u er pas door de geheugenkampioenschappen in geÔnteresseerd?

'Nou, als je me wil psychoanalyseren...'

Dat wil ik niet.

'We zijn natuurlijk in een zeer Joods huishouden opgegroeid, en de Joodse ervaring komt uiteindelijk neer op het bewaren en doorgeven van een set collectieve herinneringen. Als je binnen zo'n milieu opgroeit, is het knap lastig je niet met herinnering bezig te houden.'

Hoeveel geheugenpaleizen heeft u?

'Een paar dozijn, denk ik. Mijn ouderlijk huis, de dorm waar ik woonde toen ik aan Yale studeerde, het huis van mijn oom, het huis van mijn oma. Maar ik heb ook een aantal geheugenpaleizen weggedaan, die ik na 2006 niet meer nodig had.'

Waar de Joodse obsessie met herinnering is ingegeven door een gebrek aan plaats, een vaste plek om te blijven, daar zijn de ars memoriae, de eeuwenoude geheugentechnieken die Foer in zijn boek beschrijft, juist ondenkbaar zonder vastgoed, routes en plekken. Zoals de Griekse dichter Simonides al in de vijfde eeuw voor Christus ontdekte, zijn mensen over het algemeen vrij slecht in het onthouden van feiten, maar erg goed in het onthouden van plaats en ruimte. Evolutionair gezien is dit niet meer dan logisch: de noodzaak om telefoonnummers en presidenten te onthouden, is oneindig veel jonger dan het belang van een goed innerlijk navigatiesysteem. Om dingen te kunnen onthouden, bouwde Simonides daarom 'geheugenpaleizen': denkbeeldige gebouwen of routes waar elke herinnering een vaste plek had. De geheugenkunst is geen magie, maar eerder een serie goocheltrucs die iedereen kan leren.

In Moonwalking with Einstein laat Foer zien hoe een geheugenpaleis werkt. Hij leert een boodschappenlijstje uit zijn hoofd door de knoflook aan het begin van de oprit van zijn ouderlijk huis te plaatsen, de cottage cheese bij de deur, de zalm op de piano, de wijn op tafel, enzovoorts. Wanneer hij later in zijn verbeelding door het huis loopt, vindt hij de objecten precies waar hij ze heeft achtergelaten. Het geheugenpaleis is slechts ťťn van vele geheugentechnieken in het boek - voor alle technieken geldt dat het tijd, aandacht en creativiteit vergt om de herinneringen aan te maken. Hoe gekker de herinnering, hoe langer ze je bijblijft - dus laat Foer Claudia Schiffer baden in het kuipje cottage cheese bij de deuropening, en zijn de flessen wijn op tafel druk met elkaar in gesprek over wie het beste smaakt.

U schrijft dat de ars memoriae zeshonderd jaar geleden algemeen bekend was en door een grote groep mensen beoefend werd. Nu we onze herinneringen ook buiten het brein kunnen opslaan - in foto's of boeken bijvoorbeeld - hebben we geen geheugenpaleizen meer nodig. Aan het begin van uw boek werpt u de vraag op, of we door die nieuwe technologieŽn beter of slechter af zijn. Een prikkelende vraag, die u uiteindelijk niet beantwoordt.

'Ik ben er niet uit. De hoofdredacteur van The New York Times schreef afgelopen weekend een essay waarin hij beweerde dat Twitter ons stom maakt, en waarin hij mijn boek aanhaalde. Hij schreef: "Kijk"'- Foer wijst naar een denkbeeldig exemplaar van Moonwalking with Einstein - '"vroeger hadden mensen heel goede geheugens, en die vaardigheid zijn we kwijt." Zo sterk stel ik het zelf niet: het is niet een vaardigheid die we zijn verloren, we hebben er gewoon geen interesse meer in. Ik denk wel dat technologie ons geheugen beÔnvloedt - Roland Barthes bijvoorbeeld schrijft dat foto's geen herinneringen zijn, maar antiherinneringen. Je besteedt het herinneren uit aan de camera, en de foto vervangt vervolgens de 'echte' herinnering. Daar zit denk ik een kern van waarheid in. Maar betekent dit dat onze hersenen ook fysiek zijn veranderd? Misschien wel, maar dat valt niet te bewijzen.'

Er waren geen MRI-scanners ten tijde van Plato.

'Precies. Je kunt het onmogelijk vergelijken.'

Maar wat is het verschil tussen een geheugenpaleis en een foto? Het zijn toch allebei technieken, of technologieŽn, om informatie op te slaan?

'Dat is inderdaad het tegenargument: dat de grens tussen ons ''zelf'' en de ''rest'' sowieso veel poreuzer is dan we willen toegeven. De Schotse filosoof Andy Clark omschrijft dat mooi: hij zegt dat we allemaal cyborgs zijn. Een pen is een verlenging van ons lichaam en de dingen die we opschrijven, zijn extensies van onze gedachten. We zijn in-en-in technologische wezens.
Dat geldt ook voor de relatie tussen twee mensen. Mijn vrouw heeft herinneringen die ook een beetje van mij zijn. Andersom zijn er dingen waarvan zij weet dat zij ze niet hoeft te weten, omdat ik ze weet. Ik regel bijvoorbeeld onze belasting, dus daar hoeft zij niets over te onthouden; maar omdat ze weet dat ik het weet, weet zij het ergens ook. Ze heeft die herinnering aan mij uitbesteed. Daarom is het ook zo tragisch wanneer je partner overlijdt: hij of zij neemt een stukje van jou met zich mee. Of kijk naar alzheimerpatiŽnten. De gevolgen van alzheimer blijven vaak lang verborgen omdat patiŽnten zodanig met hun omgeving zijn verbonden dat de omgeving dingen voor hen onthoudt. Pas wanneer je ze uit hun persoonlijke sfeer haalt, breekt de hel los. De ander, de omgeving - het zijn allemaal een soort opslagtechnieken.
We spreken over herinneringen alsof ze enkel in het brein kunnen bestaan. Misschien moeten we technologie zien als iets wat het brein aanvult, niet als iets wat het vervangt of verplaatst. Misschien maakt Twitter ons wel slimmer, niet dommer. Het probleem is hoe dan ook dat we veranderingen van ons brein sowieso niet kunnen kwantificeren of aantonen. We zitten er middenin: we zijn een kreeft in water dat heel langzaam aan de kook wordt gebracht.'

In uw boek haalt u Socrates aan. Hij omschrijft hoe de god Thoth, uitvinder van het schrift, zijn uitvinding aan de koning van Egypte aanbiedt. De koning aarzelt, want hij is bang dat schrijven zijn volk vergeetachtig zal maken. Is de angst voor de invloed van technologie op geheugen niet van alle tijden?

'Montaigne schreef natuurlijk al in de zeventiende eeuw over de angst zijn geheugen te verliezen. Wat dat betreft, is het een kwestie die eeuwig terugkeert. Maar ik zie wel een verschil: mensen die zich in de zeventiende, achttiende eeuw met herinnering bezighielden, hadden meer zelfvertrouwen. We vinden zo'n geheugenkampioenschap bizar omdat we totaal geen vertrouwen hebben in ons eigen vermogen tot onthouden - ik geloofde zelf ook niet dat ik tot zoiets in staat zou zijn. We zijn ontzettend onzeker over onze geheugencapaciteit - en die onzekerheid is groter dan ooit.'

In hoeverre wordt die onzekerheid ingegeven door het feit dat we herinnering niet goed begrijpen? U schrijft bijvoorbeeld dat onze metaforen - een herinnering als een foto, of het brein als een tablet waarin herinneringen worden 'gegrift' - niet kloppen. Het geheugen is juist dynamisch en veranderlijk.

'Als je terugkijkt, dan zie je dat metaforen voor herinnering voortdurend evolueren: ze zijn altijd een reflectie van de nieuwste technologie. Op dit moment vormt MRI het denken over herinnering heel sterk. MRI-scans zijn fantastisch: ze kunnen inzichtelijk maken wat er op een bepaald niveau in het brein gebeurt. We zijn ook in staat te analyseren wat er in een individueel neuron gebeurt. Maar de niveaus daartussenin, daar kunnen we technologisch nog niet bij. Mijn herinnering dat dit' - Foer houdt zijn theelepel omhoog - 'een lepel is, bijvoorbeeld - waar woont die herinnering? Dat is een vraag die we niet kunnen beantwoorden. De technologie die we wel hebben, beÔnvloedt ons begrip: door MRI praten we bijvoorbeeld over "regio's" van het brein - terwijl dat misschien helemaal geen goede metafoor is. Zelfs de vraag waar deze herinnering woont, alsof-ie bestŠŠt en een vaste plek heeft - ik denk niet dat het zo werkt. Maar we hebben geen andere manier om erover te praten.'

Een van de metaforen die u aandraagt, is die van het geheugen als een spinnenweb dat groter wordt naarmate het meer vangt.

'Ja, dat is wel een goede. Volgens mij heb ik die zelf bedacht.'

Het commentaar op de ars memoriae is vaak: leuk, maar wat heb je eraan? Nu het mogelijk is alles op te slaan en op te zoeken, wordt op scholen en in de samenleving in het algemeen allengs minder waarde gehecht aan feitenkennis, en meer aan zoekvaardigheden en creativiteit. Foers spinnenwebmetafoor geeft aan dat geheugentraining meer is dan een gimmick. Wie een groot geheugen heeft, heeft meer materiaal om creatief mee te zijn: het ťťn sluit het ander niet uit, maar versterkt het juist. Bovendien vergt het trainen van het geheugen concentratie en aandacht: de ontdekking dat je Łberhaupt in staat bent die concentratie en aandacht op te brengen, en dat je ergens een expert in kan worden door te trainen, is bevrijdend - een medicijn tegen onze herinneringsonzekerheid.

Traint u uw geheugen nog steeds?

'Niet echt - vlak nadat ik kampioen werd ben ik er nog wel een tijdje mee doorgegaan, maar daarna is het weggeŽbd. Uiteindelijk zijn er weinig momenten in het dagelijks leven waarop je het nodig hebt, of Łberhaupt in de praktijk kan brengen. Ik bouw wel nog vaak een geheugenpaleis voor mijn boodschappenlijstjes. Maar toen ik gisteren naar de supermarkt ging, dacht ik: weet je wat, ik ben zo moe, ik schrijf het gewoon op.'

U heeft uw OK Plateau bereikt.

'Ja. Al ben ik nu wel bang, dat wanneer ik met zo'n lijstje door de winkel loop, mensen dan denken dat ik de boel heb bedonderd.'

Joshua Foer
Geboren: 23 september 1982; opgegroeid in Washington, D.C.
Gestudeerd: evolutionaire biologie aan Yale.
Schrijft: als journalist voor onder meer National Geographic, Slate en The New York Times.
Familie: Broer Jonathan Safran Foer schreef Everything Is Illuminated (2002), Extremely Loud and Incredibly Close (2005) en Eating Animals (2009). Broer Franklin Foer is redacteur van The New Republic en schreef het boek How Soccer Explains the World (2004).
Joshua Foer woont met zijn vrouw Dinah in New Haven, Connecticut.

Joshua Foer, Het geheugenpaleis. De vergeten kunst van het onthouden (Moonwalking with Einstein. The Art and Science of Remembering Everything), vertaling Janneke Zwart, verschijnt 1 september bij De bezige Bij, 352 p., § 19,90

'Hack je genetische profiel'
Vrij Nederland / 16 Juni 2011



Zijn pleidooi voor een vier-urige werkweek maakte Timothy Ferriss beroemd. Nu belooft hij zijn lezers snel afvallen en een beter seksleven. 'Er zijn, in mijn ervaring, maar heel weinig dingen die echt onveranderlijk zijn.'

Ľ Meer

Hoewel Timothy Ferriss en ik deze week allebei in New York zijn, geeft hij de voorkeur aan een telefonisch interview in plaats van een echte ontmoeting. 'Ik ben in New York om m'n vriendin te zien en vrienden op te zoeken,' legt de 34-jarige zelfhulpgoeroe uit. 'Ik heb deze week maar anderhalf uur om aan werk te besteden.'

Anderhalf uur is minder dan de vier uur waarmee Ferriss in 2007 beroemd werd: zijn eerste boek Een werkweek van vier uur: leid een rijk leven zonder veel te doen kwam dat jaar uit, is inmiddels in vijfendertig talen vertaald en staat nog altijd op de bestsellerlijst van The New York Times. De adviezen die Ferriss in dat boek gaf, varieerden van slechts ťťn keer per dag je e-mail checken tot je administratieve taken uitbesteden aan een virtuele assistent in India. Sindsdien is Ferriss een graag geziene gastdocent en spreker op plekken die variŽren van Princeton tot TED, en hij schroomt niet om zijn prestaties via allerhande blogs en YouTube-video's wereldkundig te maken. Niet vreemd dat het tijdschrift Wired hem in 2008 uitriep tot 'Zelfpromotor van het jaar'; of dat het Aspen Institute hem in 2009 tot ťťn van de 'leiders van de toekomst' benoemde.

Orgasme van een kwartier
Nu is er een tweede boek, ruim vijfhonderd pagina's dik en met een al net zo lonkende titel als zijn eersteling: Body, een lijfboek. Een ongebruikelijke gids over snel afvallen, betere seks en meer uit je lichaam halen. In hoofdstukken over eten, sporten, seks en slapen, beargumenteert Ferriss dat er geen enkele reden is 'je neer te leggen bij je genetisch profiel' en dat het doodsimpel is slanker, fitter, sterker en sneller te worden. Het enige dat je hoeft te doen, is zijn advies opvolgen en, niet onbelangrijk, openbaar maken dat je daarmee bezig bent, bijvoorbeeld door een weddenschap af te sluiten of door je resultaten bij te houden op een blog of website.

En passant legt Ferriss ook nog uit hoe vrouwen een vijftien minuten durend orgasme kunnen ervaren, hoe je het best een honkbalknuppel hanteert en wat de meest effectieve manier is om voor een ultramarathon te trainen. De methoden (een dieet, rek- en strekoefeningen, de juiste houding) zijn allemaal door Ferriss zelf getest: Body is het verslag van zijn experimenteerdrift. 'Ik ben het proefkonijn,' schrijft hij, en de lezer profiteert. Body voert langs goedkope klinieken in Nicaragua en seksexperts in San Francisco; in detail leert de lezer over Ferriss vůůr en Ferriss na, en over de minimale inspanning waarmee ook wij van a naar b kunnen gaan. Het resultaat is een boek dat moeilijk serieus te nemen is maar dat wel fascineert: ironie en een totaal gebrek aan zelfspot leven hier, vreemd genoeg, vreedzaam naast elkaar.

In zekere zin is het fenomeen Ferriss interessanter dan zijn boeken of zijn boodschap: hij is een combinatie van de amateur uit de negentiende eeuw, de sluwe zakenman uit de twintigste eeuw en de gadgetfreak uit de eenentwintigste. In de Verenigde Staten, waar Body afgelopen december uitkwam, overstijgen de verkoopcijfers voor de eerste zeven maanden die van Een werkweek van 4 uur ruim. 'Op Amazon.com is Body het meest gehighlighte boek ooit, het staat bovenaan, boven de Bijbel en Stieg Larsson,' zegt Ferriss. De vertaalrechten zijn tot nu toe aan twaalf landen verkocht en het boek kwam op ťťn binnen in The New York Times-bestsellerlijst.

Niet dat hij veel tijd aan de promotie van zijn boek heeft besteed - althans, niet in de klassieke zin. 'Mijn boek is zo succesvol omdat de adviezen die erin staan werken, punt. Ik heb geen boektournee gehouden, daar doe ik niet aan. Sowieso komt in de digitale wereld de beste marketing van de mond-tot-mondreclame. Die krijg ik doordat mensen mijn boek lezen en hun resultaten via Twitter en Facebook kenbaar maken.' Ferriss raadt Body-lezers aan hun ervaringen online te delen: de gratis reclame die dat oplevert, noemt hij 'slechts een prettige bijkomstigheid'. 'Gedragsverandering lukt nu eenmaal het best wanneer je publiekelijk verantwoording moet afleggen,' zegt hij. Vandaar het advies om, bijvoorbeeld, telkens vůůr het eten je bord te fotograferen en de foto op een site als Dietsnaps te plaatsen. Een soort modern panopticum: wie denkt dat de hele wereld meekijkt, zal eerder een salade eten dan een stuk pizza.

Denkfout
Het zelfhulpgenre is zo oud als de boekdrukkunst. Al in de vijftiende eeuw had je menig handboek met strategieŽn om de 'grote hoeveelheid boeken' het hoofd te bieden. De Renaissance bracht schrijvers als Michel de Montaigne, die essay na essay wijdde aan de vraag 'hoe te leven'. In Amerika, land van protestantisme en selfmade mensen, legde Benjamin Franklin in de achttiende eeuw in zijn autobiografie uit dat je door zuinigheid en hard werken beroemd kon worden. In de negentiende eeuw beschreef Horatio Alger hoe je van krantenjongen miljonair werd.

In de zelfhulpbestsellers van de twintigste eeuw lag het accent minder op succes en meer op de verhouding tussen het individu en de groep: How to Win Friends and Influence People heette het populairste zelfhulpboek uit de jaren dertig. Vanaf de jaren zestig ging het er juist om je als individu los te maken van het juk van de gemeenschap, en je eigen, authentieke pad te volgen. Hedendaagse zelfhulpbestsellers (en aanverwanten, zoals het populaire Eten, bidden, beminnen van Elizabeth Gilbert), dragen de boodschap uit dat geluk en gezondheid te bereiken zijn door acceptatie en 'mindfulness', en dat ware schoonheid van binnen zit. Tot die school behoort Ferriss duidelijk niet. 'Accepteer je genetische aanleg niet,' schrijft hij in Body, en: 'Het is mogelijk je aangeboren genetische profiel bij te stellen.'

Over de keuze om zich na een boek over tijdmanagement op het lichaam te richten, kan Ferriss kort zijn: 'De twee grootste angsten van de moderne mens zijn te veel e-mail en dik worden.' Vooruit, dat gaat misschien niet op voor wie in oorlogs- of ontwikkelingslanden vertoeft, maar wel voor de rest van de wereld. Vreemd genoeg, zegt Ferriss, 'zijn mensen die verder in alles goed zijn en overal in uitblinken, wel bereid een middelmatig lichaam te accepteren. Omdat ze denken dat ze hun lichaam niet kunnen veranderen, dat het nu eenmaal zo is. Die denkfout wil ik tegengaan. Er zijn, in mijn ervaring, maar heel weinig dingen die echt onveranderlijk zijn.'

Negen kilo in een maand
Het meest controversiŽle onderdeel van Ferriss' boek (op het vijftien minuten durende orgasme na) is het hoofdstuk waarin hij het slow carb diet promoot. In de praktijk komt dat dieet neer op een verbod op koolhydraten - brood, rijst, aardappels, ontbijtgranen en fruit staan op de zwarte lijst. Wat overblijft, zijn bonen, eieren zonder dooiers, spinazie en mager vlees. 'Ik moedig mensen aan om terug te gaan naar het dieet van voor de agrarische revolutie,' zegt Ferriss. Verder raadt hij lezers aan zo veel mogelijk dezelfde maaltijden te eten, en schrijft hij ťťn keer per week een 'binge'-dag voor, waarop je alles mag eten wat je wilt - de gedachte hierachter is dat als je dan toch gedoemd bent om te zondigen, je het beter op gezette tijden kan doen om zo de schade te beperken. Wel moet je vůůr en na de vreetbuien spieroefeningen doen, en tijdens het snaaien zo veel mogelijk Yerba Mate thee en koffie te drinken, zodat de 'slechte' stoffen het lichaam snel weer verlaten (en dus zo min mogelijk worden opgenomen). Wie dit dieet volgt, schrijft Ferriss, kan in een maand tijd negen kilo afvallen zonder te sporten.

Van de suggestie dat het eetpatroon nog het meest aan boulimia doet denken (of dat uitspraken als 'wie controle heeft over het lichaam, heeft controle over het leven' evengoed van een anorexiapatiŽnt afkomstig zouden kunnen zijn), moet Ferriss niets hebben. 'Natuurlijk associŽren mensen het woord "binge" met een eetstoornis. Maar het verschil is dat deze vreetbuien gepland zijn - er is dus niets gestoords aan.' En waar eetstoornissen doorgaans negatieve gevolgen hebben, zegt Ferriss, daar is zijn slow carb diet als een 'paard van Troje' dat allerlei positieve bijwerkingen met zich meebrengt, zoals betere insulineniveaus voor bloedsuikerpatiŽnten en 'verbeterde vruchtbaarheid voor vrouwen'.

De werking van het slow carb diet is, net als veel van Ferriss' andere tips (vůůr bedtijd een ijskoud bad nemen om slaap te bevorderen, bijvoorbeeld), niet of nauwelijks wetenschappelijk aangetoond. Maar voor Ferriss is dat juist een pre: wetenschappers hebben volgens hem een voorkeur voor voorspelbare, gemakkelijk uitvoerbare onderzoeken en universitaire methodes en protocollen maken dat het wel tien jaar kan duren vooraleer een laboratoriumontdekking het grote publiek heeft bereikt. Wie daar niet op wil wachten, kan beter zelf aan de slag; hij noemt zijn boek dan ook een 'manifest voor een experimentele levensstijl'. Ferriss: 'Ik ga analytisch te werk en maak goede aantekeningen; in dat opzicht ben ik een wetenschapper. Niet professioneel misschien, maar dat wil ik ook niet. Benjamin Franklin noemde zichzelf geen wetenschapper; zijn experimenten met elektriciteit beschouwde hij als "filosofische ondernemingen". Zo zie ik mezelf ook.'

Prestaties tracken
Eigenlijk lijkt Ferriss nog het meest op een amateur uit de negentiende eeuw - de financieel en institutioneel onafhankelijke man die, puur uit liefhebberij, natuurkundige wetten ontdekte, de telegraaf ontwikkelde, fotografie uitvond ('amateur' betekent oorspronkelijk 'liefhebber'). Ferriss pronkt met zijn brede ontwikkeling en uiteenlopende interesses: hij spreekt zes talen en danst de tango, en vorige week nog was hij in Berlijn - 'om aan m'n Duits te werken'. Jegens expertise - een modern fenomeen - koestert Ferriss een gezonde dosis argwaan. Hoewel hij experts interviewt (ruim tweehonderd dokters en wetenschappers komen er in Body voorbij), maakt hij duidelijk dat hij niet ťťn van hen is. 'Ik ben geen expert,' schrijft hij in het voorwoord van Body. 'Ik ben een gids en ontdekkingsreiziger.'

Maar als Ferriss met ťťn been in de negentiende eeuw staat, dan staat hij met het andere stevig in de eenentwintigste. Zijn financiŽle onafhankelijkheid dankt hij onder meer aan de verkoop van zijn internetbedrijf en aan slimme investeringen die hij deed in internetstart-ups en websites als Twitter en Facebook. Wanneer hij over het lichaam praat, gebruikt hij uitsluitend metaforen uit de computerwereld. 'Je kunt je genetische profiel hacken,' zegt hij bijvoorbeeld, en: 'Optimaliseer de lichamelijke machine.' Lezers moeten hun 'innerlijke gps' bijstellen. Body staat vol met tools en apps waarmee je hartsnelheid, gewicht en andere prestaties kan tracken, en hij hamert voortdurend op het belang van 'data'.

Health en happiness
Zonder het internet zou Body nooit zo goed verkocht zijn, en ook voor het schrijven ervan leunde Ferriss op de mogelijkheden van het web. Ferriss: 'De titel van mijn boek is met behulp van Facebook, Twitter en Surveymonkey tot stand gekomen. Ik liet mensen stemmen, en onderzocht ook welke titels de meeste clicks ontvingen. Die data heb ik geanalyseerd en op basis daarvan koos ik de titel die het meest in de smaak viel.' Body is eerder een blader- en browse-boek dan een boek dat je van kaft to kaft moet lezen. In Ferriss' roep om een 'experimenterende levensstijl', ten slotte, klinkt de 'democratiserende' belofte van Web 2.0 door. 'Het is aan jou,' schrijft hij, 'niet aan je dokter of de krant, om uit te vinden wat voor jou het beste werkt.'

Body gaat om presteren: woorden als 'geluk' of 'gezondheid' komen in het boek nauwelijks voor. Dat is opmerkelijk: 'health' en de belofte van 'happiness' zijn immers krachtige marketingtermen, die je tegenwoordig kunt inzetten om zo'n beetje alles te verkopen, van ijzerverrijkte cornflakes tot dagcrŤme en vliegvakanties. Ferriss: 'Die woorden worden zoveel gebruikt dat ze vrijwel betekenisloos zijn. Ze zijn ook niet meetbaar: "geluk" en "gezondheid" zijn zo ambigu dat mensen die het nastreven, het niet kunnen vinden. Slecht gedefinieerde woorden zijn de grootste bron van ontevredenheid.' Het is veel beter om concrete doelen te stellen, waarvan je min of meer objectief kunt nagaan of je ze hebt bereikt: twee keer zo hard rennen, bijvoorbeeld, beter slapen, of vijf kilo afvallen.

Tenslotte is het, aldus Ferriss, veel logischer en effectiever om het lichaam aan te pakken dan om je op de geest te richten. 'Lichaam en geest zijn natuurlijk met elkaar verbonden - het brein is ook een orgaan. Wanneer ik zeg dat je het lichaam moet verbeteren, dan bedoel ik daar dus ůůk de hersenen mee. Maar cognitieve prestaties kun je het best verbeteren door eerst je lichamelijke prestaties te verbeteren. Wanneer je bijvoorbeeld je bloedsuikerspiegel stabiel maakt, gaan automatisch ook je geheugen en je concentratievermogen vooruit.' Andersom gaat dat niet op: 'Als je probeert je geheugen te verbeteren, merkt de rest van je lichaam daar niets van.' Mens sana in corpore sano - en voor efficiŽntieprediker Ferriss is ťťn plus ťťn dan natuurlijk twee. Over efficiŽntie gesproken: 'Hoeveel tijd heb je nog nodig voor dit interview, denk je?'

'Body, een lijfboek. Een ongebruikelijke gids over snel afvallen, betere seks en meer uit je lichaam halen' verschijnt 12 september bij Uitgeverij Boekerij

'Er zijn nog duizend revoluties nodig'
Opzij / Mei 2011


Foto: Virginie BlachŤre

Ze zit 24 uur per dag op Twitter en geeft talloze interviews over de omwenteling in de Arabische wereld. Want al woont ze sinds jaren in de VS, ze is als Egyptische hartstochtelijk betrokken bij wat er nu gebeurt in haar geboorteregio. 'De Egyptische revolutie was een revolutie tegen het patriarchaat.' In Opzij-serie Wereldvrouwen: publicist Mona Eltahawy.

Ľ Meer

Het Harlem van Mona Eltahawy is koud maar zonnig - een lente die zich al wel laat zien maar nog niet doet voelen. De eigenaar van Chez Lucienne, een restaurant op Lenox Avenue waar Eltahawy afgelopen zomer de wereldcup volgde, veert op wanneer ze binnenstapt. 'We zagen je op TV! Vanochtend!' roept hij.
Eltahawy lacht, knikt, en legt hem uit dat ze het druk heeft. 'Je weet dat we van onze dictator af zijn? Hij is weg, opgehoepeld! Nu moeten we nog van het leger zien af te komen. Het is een fantastisch gevoel, maar er zijn nog duizend revoluties meer nodig.'
Vanochtend was ze nog in Washington, om in het ABC-programma This Week commentaar te geven op het vliegverbod in LibiŽ (waar ze vůůr is, want 'Libiers worden afgeslacht met wapens die Westerse landen aan Kadhafi hebben verkocht, dus nu ingrijpen is het minste wat ze kunnen doen') en de strijd aldaar ('Ik ben ervan overtuigd dat de revolutionairen zullen winnen'). Nu is ze even terug in New York en morgen spreekt ze op een universiteit in New Jersey over vrouwen en sociale media in de Egyptische revolutie. Eltahawy - een 43-jarige schone met veel sieraden, een opvallende bril, en een bos glaznende krullen - bestelt een hamburger en een glas Merlot. 'Ik heb honger.' En moe is zo ook: 'De afgelopen nacht heb ik amper vier uur geslapen.'

Sinds op 25 januari de opstand in Egypte uitbrak, schieten zaken als eten, slapen en schrijven er wel vaker bij in voor de Egyptische, in New York woonachtige columnist en publicist, wier stukken over de Arabische wereld, islam, feminisme en nieuwe media in onder meer The New York Times, the Guardian, The Toronto Star, The Jerusalem Report en het Deense Politiken zijn verschenen. Het is gaan, gaan, gaan: 'Ik zit vierentwintig uur per dag op Twitter.' Eltahawy heeft ruim 44,000 volgers en plaatst honderden tweets per dag. In de televisie- en radiostudio's van BBC, CNN, ABC en NPR geeft ze commentaar op de ontwikkelingen in Tunesie, Egypte, LibiŽ, en SyriŽ. Ze spreekt er met de passie en stelligheid van iemand die haar vrijheid van meningsuiting zwaar heeft bevochten, en er daarom nu volop gebruik van wenst te maken, thank you very much. Toen ze eind januari bij CNN Live verscheen, sprak ze de nieuwslezer vermanend toe: 'Wanneer,' vroeg ze, 'houden jullie op van "chaos" en "onlusten" te spreken, en gaan jullie de woorden "revolutie" en "opstand" gebruiken om te beschrijven wat er in mijn land gebeurt?'

Natuurlijk was ze op dat moment liever in Egypte geweest, in Cairo, op het Tahirplein - om ťcht deel uit te maken van de revolutie waar ze al zo lang op hoopte. Eltahawy: 'Mijn hart stond in brand. Maar ik voerde hier mijn eigen opstand, een mediaopstand. De manier waarop de Amerikaanse media over dat deel van de wereld berichten is zů kortzichtig. Niemand geloofde dat het TunesiŽ zou lukken, niemand geloofde dat het Egypte zou lukken. Dus ik greep het moment aan om in de media te zeggen: "Luister, het feit dat vijf van jullie presidenten Mubarak hebben gesteund ten koste van mijn waardigheid en de waardigheid van mijn volk wil niet zeggen dat het on nu niet zal lukken hem omver te werpen."' Toen Mubarak op 11 februari inderdaad aftrad, huilde ze in het populaire radioprogramma van Brian Lehrer van geluk, en sprak ze van de de mooiste dag van haar leven.

Hoe mooi die dag ook was, de geschiedenis raast sindsdien onverbiddelijk door. De strijd in LibiŽ is vele malen grimmiger dan die in Egypte en TunesiŽ, en ook de regimes van SyriŽ en Bahrein geven vooralsnog niet toe. Anderhalve maand na de euforie van Tahir komen er uit Egypte verontrustende boodschappen over de groeiende macht van het leger en de Moslimbroederschap.
'Egyptenaren hebben het leger heilig verklaard omdat het weigerde het vuur te openen op de demonstranten,' zegt Eltahawy. 'Maar de militaire politie heeft mensen opgepakt en gemarteld, ook tijdens de opstand. Na het aftreden van Mubarak zijn hierover verschrikkelijke feiten naar boven gekomen.' Ze noemt het bericht van die ochtend, over Salwa Gouda, een 20-jarige Egyptische die tijdens de demonstraties door het leger werd opgepakt, zogenaamd op verdenking van prostitutie. Soldaten kleedden haar uit, mishandelden haar, en 'onderzochten' of haar maagdenvlies nog intact was.
Eltahawy: 'Het is heel moedig dat ze met haar verhaal naar buiten komt. Egyptenaren willen niet inzien dat het leger ook fout zit en geven haar de schuld. Iedere Egyptische vrouw die ik ken is weleens seksueel geÔntimideerd, ikzelf ook. Maar als we er wat van zeggen, dan worden we voor leugenaars uitgemaakt, of krijgen we te horen dat we te uitdagend gekleed gingen.' Vandaar de 'duizend revoluties' die Egypte volgens Eltahawy nog nodig heeft. Niet alleen moet worden voorkomen dat het leger of de religieus conservatieven nu de macht grijpen; vrouwen moeten bovendien een eind maken aan hun onderdrukking. 'De Egyptische revolutie was een revolutie tegen het patriarchaat,' zegt Eltahawy. 'Egyptische mannen zijn blij omdat ze van Mubarak af zijn, maar voor vrouwen zijn er nog heel veel andere Mubaraks om omver te werpen.'

Revolutie, revolte, opstand: in de wereld van Eltahawy moeten ongelijkheid en onderdrukking voortdurend bestreden worden. Haar levensverhaal is als een serie hoofdstukken waarin de protagonist steeds een stukje vrijer en onafhankelijker wordt: de conservatieve moslima verandert in een liberale feminist die haar hoofddoek afgooit; de ietwat naÔeve journalist ('het leek me leuk om popsterren te interviewen') wordt een politiek geŽngageerd verslaggever. Weer later wordt die verslaggever columnist, activist, en docent - op Amerikaanse universiteiten geeft ze les over het Midden-Oosten, in Egypte traint ze burgerjournalisten in het gebruik van sociale media. De tweets van diezelfde burgerjournalisten hielden Eltahawy op de hoogte hielden van wat er op het Tahirplein gebeurde. De sociale media stemmen haar dan ook optimistisch over de duizend revoluties van de toekomst.

Over die sociale media en de Egyptische revolutie is al veel geschreven. Internetoptimisten spreken van een Facebookrevolutie, en zeggen dat Mubarak zonder internet nog gewoon op zijn plek had gezeten. Sceptici wijzen erop dat slechts 20 procent van de Egyptenaren toegang tot internet heeft, en slechts 5 procent op Facebook zit. Het idee van een hoofdrol voor technologie stuit bovendien diegenen tegen de borst, die geloven dat menselijke vrije wil nog altijd belangrijker is dan welk communicatiemiddel dan ook.
Eltahawy: 'Ik zou dit nooit een Twitterrevolutie noemen. Moed, doorzettingsvermogen en mensen hebben deze revolutie tot een succes gemaakt, niet het internet.' Maar, net zoals de drukpers de Reformatie hielp, en de fax een rol speelde tijdens de protesten op het Tiananmen plein, zo was het internet wel degelijk een cruciaal organisatie- en communicatiemiddel voor Tahir.
En belangrijker nog, zegt Eltahawy, is het feit dat 'jonge Egyptenaren sociale media niet alleen gebruiken om te netwerken en contact te houden; het helpt ze ook de kracht van het "ik" te erkennen.' Wie een stem heeft op Twitter of Facebook beseft dat die stem telt: 'In een cultuur waar altijd de gemeenschap, de groep, de familie is benadrukt, maken sociale media het individu sterker.'

Het besef dat een individu bestaansrecht heeft en een verschil kan maken, lag volgens Eltahawy aan de Egyptische revolutie ten grondslag. Het democratiserende potentieel van internet is wat haar betreft enorm. 'Kijk naar de manier waarop het gebruikt wordt in Saoedi-ArabiŽ, een land waar de scheiding der seksen een van de sterkste ter wereld is. Online maakt het niet uit of je een man of een vrouw bent, mannen en vrouwen kunnen er vrijelijk communiceren.' Die vrijheid om te zeggen wat je wilt, is volgens Eltahawy noodzakelijk voor de ontwikkeling van individualiteit en, uiteindelijk, emancipatie.

Saoedi-ArabiŽ was, ironisch genoeg, het land dat van Eltahawy een feminist maakte. Haar familie verhuisde erheen toen ze 15 was. Het was 'alsof iemand het licht had uitgedaan.' De onderdrukking van vrouwen was overal: haar tantes mochten niets, haar ooms alles. De conservatieve interpretatie van de islam betekende dat je als vrome vrouw nauwelijks bestaansrecht had. Eltahawy: 'In Saoedi-ArabiŽ had ik mijn eerste depressieve periode. Ik ging een hoofddoek dragen, als deal met God: "Ik draag een hoofddoek, U zorgt ervoor dat ik niet gek word."' Maar hoe goed ze zich ook bedekte, ze werd overal betast en seksueel geÔntimideerd, en deuren die voor mannen wagenwijd open stonden bleven voor haar gesloten. Op een dag was het op: 'I just snapped.' Ze was toen 19. In de universiteitsbibliotheek ontdekte ze feministische tijdschriften en boeken. Schrijfsters als Nawal El Sadaawi, Leila Ahmed en Fatima Mernissi waren een inspiratie, en een bevrijding. De hoofddoek ging uiteindelijk weer af.

Na Saoedi-ArabiŽ verhuisde Eltahawy naar Egypte, waar ze tien jaar als journalist werkte voor onafhankelijke media werkte. Ze interviewde mensenrechtenactivisten en besefte wat Mubaraks regime voor haar land betekende. Ze werkte een jaar als Reuterscorrespondent in IsraŽl - 'juist omdat het me werd afgeraden.' Ze wilde met eigen ogen zien hoe het er in het land aan toe ging dat een aartsvijand van Egypte was. Weer terug in Egypte werd ze verliefd op een Amerikaan. Hoewel ze had gezworen nooit te zullen trouwen, accepteerde ze zijn aanzoek en verhuisde met hem naar Seattle. Het contrast tussen deze vriendelijke, beleefd stad en het grote, ruige, levendige CaÔro was geen recept voor geluk - en het huwelijk met de Amerikaan al evenmin. Eind 2002 verhuisde Eltahawy in haar eentje naar New York, een stad zijn wonden likte na de gebeurtenissen van 11 september.

11 september was voor Eltahawy de dag waarop'objectiviteit stierf.' In de mediaverslaggeving van die dag en de periode daarna zag ze haar opvattingen, als liberale moslim in Amerika, als feminist, nergens terug. Moslims die in het nieuws kwamen waren ůf radicaal en conservatief, ůf boden voortdurend hun excuses aan. Eltahawy: 'Ik ben uit de journalistiek gestapt. Ik had geen zin meer om mensen om hun mening te vragen en zelf zogenaamd objectief te blijven. Ik wilde zťlf mijn mening geven. Waarom zou ik mijn excuses moeten aanbieden? 9/11 was een aanval op ons allemaal, ik was ook een slachtoffer.' Ze ging opiniestukken schrijven, lesgeven, en lezingen houden.

Eltahawy's doel is ervoor te zorgen dat ook de liberale, gematigde moslimgemeenschap wordt gehoord. Eltahway voelt zich, ondanks haar individualistische inslag, onderdeel van deze gemeenschap, die in 2005 het eerste vrijdagmiddaggebed organiseerde waarbij een vrouw, Amina Wadud, voorging en mannen en vrouwen samen baden. Eltahawy: 'Conservatieven hebben altijd een grotere bek. Conservatisme wordt geassocieerd met authenticiteit, terwijl de tolerantie van liberalen vaak wordt gezien als wishy-washy, als een gebrek aan overtuiging. Maar we staan wťl ergens voor. Dus als liberalen moeten we heel' - haar stem gaat een octaaf omlaag - 'overtuigd, stellig, en gepassioneerd zeggen dat we goddammit gelijk hebben.'

Minstens zo gepassioneerd is Eltahawy over vrouwenemancipatie. Ze omschrijft zichzelf als 'moslim en feminist, niet als feministische moslim, want ik gebruik geen religieuze teksten om feminisme te verantwoorden.' Bovendien, feminisme gaat niet alleen moslima's aan: 'Overal ter wereld worden vrouwen onderdrukt.' Dubbel irritant vond ze dan ook de ophef die ontstond toen de blonde CNN-journalist Lara Logan op het Tahirplein seksueel werd geÔntimideerd door een groep mannen. Eltahawy: 'Het was net of zoiets voor het eerst gebeurde. Maar ik heb het al jaren over seksueel geweld tegen vrouwelijke journalisten, en andere Arabische schrijfsters ook. Blijkbaar is er een blonde vrouw voor nodig om het op de radar te krijgen. En er wordt gedaan of zoiets alleen in dat deel van de wereld voorkomt, alsof het hier nooit zou kunnen gebeuren. Maar in de Verenigde Staten wordt elke twee minuten een vrouw verkracht. En in conservatieve Amerikaanse staten als Oklahoma tekenen meisjes een contract waarin ze hun vaders - hun vader! - beloven maagd te blijven tot hun huwelijk. Het is daar net het Midden-Oosten.'

Natuurlijk, er zijn verschillende gradaties van onderdrukking. Eltahawy: 'Als je hier in Amerika wordt verkracht, of het slachtoffer bent van seksediscriminatie, zijn er instituten waar je je beklag kan doen. In Egypte of Saoedi-ArabiŽ kan dat niet. Maar vrouwen hebben overal ter wereld een ongelijke positie, en door te doen alsof het alleen in het Midden-Oosten zo is, komen we hier niet verder. Feminisme is een zaak voor Oost en West.'

En voor man en vrouw. Eltahawy: 'Jonge Egyptenaren hebben een organisatie opgericht, Nazra, die onderzoek doet naar vrouwenrechten. Zowel mannen als vrouwen zijn erbij betrokken. Daar ben ik heel blij om, want als we de mannen niet veranderen, komen we nergens.' Noem het biologisch pragmatisme: 'Anders krijg je straks in Egypte allemaal vrijgevochten vrouwen, maar dan is er geen man die met ze wil trouwen, want die zal nog steeds voor de brave, dociele maagd kiezen.'

Over biologie gesproken: op een lege maag en te weinig slaap is het lastig actievoeren. De hamburger is op, het wijnglas leeg, en buiten blijkt het avond. Eltahawy zegt Chez Lucienne gedag en loopt naar haar huis, een half blok verderop. De volgende dag komt er, tussen de onophoudelijke stroom tweets over Libie, Syrie en seksueel geweld, een huishoudelijke mededeling voorbij: 'My list of things to do: go to the gym, pick up dry cleaning. So I took a shower and made some pasta instead. I need a holiday.'

Mona Eltahawy blogt hier.

'Ik zal nooit meer vlees eten'
Vrij Nederland / November 2009



Jonathan Safran Foer schreef een filosofisch-journalistiek-autobiografisch boek over vegetarisme en de bio-industrie. 'Ik mis sushi, en barbecue. Maar die industrie is totale misŤre.'

Ľ Meer

De vegetariŽr is klein en rank en draagt een bodywarmer. Hij bestelt een koffie verkeerd met sojamelk en vertelt over de keer dat hij Edam bezocht: 'Die kaasstad, weet je wel? Het was een verspilde dag. Zo saai. We namen de bus en het duurde forever voor we er waren.' Of hij van kaas houdt? 'Ik eet het nu niet meer. Maar ik ben er dol op.'

Jonathan Safran Foer oogt jonger dan zijn tweeŽndertig jaar en jonger dan de twee succesvolle romans die hij al op zijn naam heeft staan. Jonger ook dan de wijk waarin hij woont en waar hij nu op een terras neerstrijkt: Park Slope, in Brooklyn. De wijk is statig en groen en telt welhaast meer kinderwagens dan auto's. Hoewel hij getrouwd is en twee kinderen heeft, is Foer eerder een zoon dan een vader, eerder een boyfriend dan een husband. Wanneer het woord 'oeuvre' valt, met betrekking tot zijn werk, begint hij te lachen: 'Oeuvre! Wat een grappig woord.'

Eating Animals, dat volgende week verschijnt tegelijk met de Nederlandse vertaling Dieren eten, is de jongste toevoeging aan dat oeuvre. Geen roman dit keer, maar een filosofisch-journalistiek-autobiografisch verhaal over vegetarisme en de bio-industrie. 'Toen ik er net mee bezig was, zei ik tegen iedereen dat het totaal anders was dan wat ik tot nu toe had gedaan,' zegt Foer. 'Maar nu het af is, besef ik dat het op veel fronten precies hetzelfde is als de rest van mijn werk.'

Duidelijke keuze

Foer was vijfentwintig toen hij, in 2002, internationaal doorbrak met Alles is verlicht, een roman over de zoektocht van een Amerikaanse Jood naar de OekraÔense vrouw die zijn grootvader van de nazi's had gered.

In 2005 volgde Extreem luid en ongelooflijk dichtbij - over een hoogbegaafd jongetje dat zijn vader verliest tijdens de aanslag op de Twin Towers.

In de vier jaar tussen het verschijnen van dat laatste boek en Dieren eten werd Foer vader, en vegetariŽr.

Vanaf zijn negende - toen de oppas hem vertelde dat de kip op zijn bord ooit een levend dier was geweest - zwalkte hij heen en weer tussen verschillende gradaties van vegetarisme. De geboorte van zijn eerste zoon zette hem ertoe aan een duidelijke keuze te maken: 'Eten is de meest directe, en misschien wel de krachtigste manier waarop je binnen een familie je waarden overbrengt.'

Hij besloot uit te zoeken wat vlees nu eigenlijk is, waar het vandaan komt en hoe het wordt geproduceerd. Ruim drie jaar lang verdiepte hij zich in de bio-industrie, sprak hij met boeren, slachters, wetenschappers en dierenactivisten en bezocht hij biologische en industriŽle boerderijen. De conclusie was helder. Foer: 'Ik zal nooit, nooit meer vlees eten.'

Wat niet betekent dat hij vlees, vis en kaas niet mist: 'Mijn God, are you kidding me? Ik mis bijna alles. Ik mis sushi, heel erg. Als ik iemand zie barbecuen, word ik verdrietig omdat ik niet mee kan doen.' Inbraak met gasmasker

'Negenennegentig procent van het vlees dat in de VS wordt gegeten, komt uit de bio-industrie - een sector die in amper honderd jaar tijd explosief is gegroeid en die traditionele boerderijen heeft gemarginaliseerd,' zegt Foer.

In zijn boek beschrijft hij hoe schaalvergroting en de nadruk op efficiŽntie, genetische manipulatie en antibiotica in het voer tot norm zijn gemaakt. Inmiddels levert veeteelt een grotere bijdrage aan het broeikaseffect dan de transportsector en vormen de onhygiŽnische verwerking van vlees en het gebruik van antibiotica een bedreiging voor de volksgezondheid: jaarlijks worden 76 miljoen Amerikanen ziek van 'iets in het eten' en de kans op het uitbreken van een pandemie gebaseerd op het H5N1-virus is aanzienlijk.

De arbeidsomstandigheden in slachthuizen (eufemistisch 'verwerkingsfabrieken' genoemd) zijn doorgaans onmenselijk en gevaarlijk en werknemers - veelal laaggeschoolde immigranten - worden slecht betaald. Dierenmishandeling is de regel: kippen worden vaak geslacht terwijl ze nog bij bewustzijn zijn, koeien soms levend gevild.

Wat hem tijdens zijn onderzoek het meest verbaasde, zegt Foer, was 'de schaal. Vijftien miljoen dieren per jaar, die allemaal op precies dezelfde manier worden gefokt: met tienduizenden opeengestapeld in kleine ruimtes, niet in staat te bewegen. Het is totale misŤre, en compleet gereguleerd.'

Een van de eerste dingen die hij leerde, was dat hij zijn beeld bij het woord 'boerderij' nodig moest bijstellen. 'Toen ik een dierenactivist opbelde om mee te gaan naar een pluimveehouderij, vertelde ze me wat ik moest kopen: kleding die ik kon weggooien, een gasmasker. Verbijsterend; dat het kennelijk zo gevaarlijk en ongezond is om naar een boerderij te gaan, naar de plek waar je voedsel vandaan komt.' Maar wat nog veel onrustbarender was: 'Dat je niet gewoon op kan bellen en vragen: mag ik langskomen? Als ik bij een appelboer langs wil, dan mag dat. Als ik in Edam een kaasboer wil zien, dan is-ie blij dat ik kom. Maar een industriŽle boerderij - no way. Mensen mogen niet zien hoe het er daar aan toegaat.'

Foer wilde het wel zien - vandaar die inbraak in wegwerpkleding en met een gasmasker. In Dieren eten beschrijft hij de omstandigheden die hij bij een industriŽle pluimveehouderij aantreft: 'Omdat het er zo veel zijn, duurt het even voordat ik in de gaten heb hoeveel [kalkoenskuikens] er dood zijn. Sommige beestjes hebben bloedvlekken, andere zitten onder de zweren. Sommige lijken te zijn gepikt, andere liggen erbij als dode blaadjes. Sommige zijn misvormd.'

Foer schuift zijn bril - donker montuur, sterke glazen - wat hoger op zijn neus en haalt een statistiek aan: 'Een gemiddelde Amerikaan eet tijdens zijn leven 21.000 dieren - 2000 landdieren en 19.000 vissen. Dat is zo moeilijk te bevatten, dat ik niet eens meer weet wat ik moet denken. Vind ik het deprimerend? Raak ik erdoor geÔnspireerd? Word ik kwaad?'

Foer werd kwaad genoeg en vond genoeg inspiratie om zijn persoonlijke zoektocht om te zetten in een betoog tegen de bio-industrie. 'Het schrijven van non-fictie voelde als werk, niet als plezier,' zegt hij. 'Een roman doet een beroep op je emotionele intelligentie, non-fictie meer op, ik weet niet, rede. Ik ben trots dat ik het heb gedaan, maar het was moeilijk.'

Of hij het nog eens zou doen? 'Ik kan me niet voorstellen dat er een ander onderwerp is dat me zo aan het hart gaat, en waar bovendien verder niemand over schrijft. Want volgens mij is er geen ander boek over vegetarisme dat het onderwerp benadert zoals Dieren eten.'

Gewoon verkeerd

Niet dat Foer de eerste of de enige schrijver is die zich bezighoudt met het eten van dieren en de bio-industrie. Honderd jaar geleden schreef Upton Sinclair The Jungle, een roman over de corruptie en het gebrek aan hygiŽne in de vleesindustrie in Chicago - de publieke verontwaardiging die daarop volgde, leidde mede tot wetgeving in de Food and Drug Act.

In 1975 verscheen Animal LiberationAlleen de knor wordt niet gebruikt, over de Nederlandse varkensindustrie; het boek kwam precies op tijd uit voor de Boekenweek, waarin dieren centraal stonden.

In de VS, een land dat sowieso geobsedeerd is door voedsel, zijn Michael Pollans The Omnivore's Dilemma (2006) en In Defense of Food (2008) een groot succes.

Foers Dieren eten staat in die traditie, al is zijn benadering minder conventioneel. Reportage, interviews en persoonlijke herinneringen lopen kriskras door elkaar. Franz Kafka (die vegetariŽr was), Walter Benjamin (die over dieren en schaamte schreef), en Jacques Derrida (die over de strijd tussen mens en dier filosofeerde) komen voorbij. Foer experimenteerde met vorm en vormgeving en ondanks het ernstige onderwerp ontbreekt de humor niet. Net als in Alles is verlicht en Extreem luid ligt in Dieren eten de nadruk op de mens als verhalenverteller. De herinneringen van zijn grootmoeder, aan hoe ze tijdens de oorlog volledig was uitgehongerd maar toch weigerde een - niet koosjer - varken te eten, vormen een rode draad in het boek.

Foer: 'De verhalen die we elkaar vertellen over het eten van dieren zijn ook verhalen over onszelf. Het is geen toeval dat in zo veel kinderboeken dieren de hoofdrol spelen. Dat deze buurt vol staat met kinderwagens betekent ook dat deze buurt vol is met ouders die boos zouden worden als hun kinderen een hond zouden schoppen. Omdat dat gewoon verkeerd is - en de manier waarop dieren in de bio-industrie worden behandeld, is ook verkeerd.'

Rooskleurig mensbeeld

Dieren eten is eerst en vooral een verhaal, geen pamflet. 'Ik vraag mensen niet om net zo te gaan eten als ik,' zegt Foer. 'Ik probeer ze aan het denken te zetten over wat er zou gebeuren als ze volgens hun eigen waarden zouden eten. En ik geloof niet dat er iemand is die het mishandelen van dieren verdedigt; als iedereen volgens zijn of haar waarden zou eten, dan was dit boek niet nodig.'

Maar die genuanceerdheid is ook meteen een zwakte. Als Dieren eten, hoe goed gedocumenteerd en onderbouwd ook (het notenapparaat beslaat meer dan vijftig pagina's en Foer huurde twee onafhankelijke fact checkers in om zijn verhaal op juistheid te controleren), slechts ťťn verhaal is van vele - een verhaal dat de meeste mensen het liefst vergeten - waarom zouden lezers dan uitgerekend met Foers verhaal meegaan?

'Dat weet ik niet - ik weet niet of ze dat zullen doen,' zegt Foer. 'Ik heb geprobeerd het eerlijk te benaderen. Er waren bijvoorbeeld momenten waarop ik mijn betoog sterker had kunnen maken door bepaalde feiten weg te laten, en dat heb ik niet gedaan. Ik hoop dat lezers daardoor inzien dat dit niet een boek is waarbij de conclusie al van tevoren vaststond, maar dat het een oprechte zoektocht was; en dat ze daarom openstaan om te luisteren.'

De veranderingsbereidheid, zegt hij, neemt de laatste jaren al toe: 'De statistieken zijn ongelooflijk. In Amerika - niet bepaald het meest progressieve land wat eten betreft - valt dertig procent van de mensen in een groep die zich vegetariŽr, soms vegetariŽr, of neigend naar vegetarisme noemt. Vooruit, het totaal aantal fulltime vegetariŽrs is nog klein - vier of vijf procent. Maar in die groep zijn jongeren oververtegenwoordigd: achttien procent van de studenten omschrijft zichzelf als vegetariŽr. Dat zijn de mensen die het over een jaar of wat voor het zeggen hebben.'

Volgens Foer is dat een volstrekt logische ontwikkeling. 'De voornaamste reden is dat de veehouderij veranderd is, en mensen beginnen dat nu te beseffen. Vijftig jaar geleden had ik dit boek niet hoeven schrijven, want toen waren er nog veel familieboerderijen en was de schaal nog niet zo groot.'

Hoopvol: 'Ik denk dat de wereld almaar progressiever en liberaler wordt. Duizenden jaren hebben we vrouwen op een bepaalde manier behandeld, en toen begon dat te veranderen. Duizenden jaren hebben we minderheden op een bepaalde manier behandeld, en dat is nu aan het veranderen. Dat we iets altijd op een bepaalde manier hebben gedaan, betekent nog niet dat we geloven dat het juist is, of dat het onmogelijk is te veranderen.'

Ja, dat is een vrij rooskleurig mensbeeld, zegt hij. Maar: 'Er is altijd nog eigenbelang. De bio-industrie is totaal niet duurzaam. Het is zo slecht voor onze gezondheid en voor het milieu dat het uiteindelijk wel můťt ophouden.'

Verrijkende ervaring

Op de vraag of het al dan niet ethisch verantwoord is om dieren te eten, gaat Foers boek dus uiteindelijk niet in. 'Weet je, daar heb ik heel lang over nagedacht, en ik weet het gewoon nog steeds niet. Dus ik vraag mensen niet om vegetariŽr te worden. Ik vraag ze om niet langer industrieel vlees te eten.'

Wanneer negenennegentig procent van het beschikbare vlees industrieel is, komt dat de facto natuurlijk neer op een pleidooi voor vegetarisme. Foer: 'Je kunt naar familieboerderijen gaan; ervoor zorgen dat je precies weet hoe je vlees geproduceerd wordt. Dus niet op een misleidend supermarktlabel afgaan, maar het ťcht zeker weten. Als iemand er veel tijd voor over heeft om dat te doen, heb ik daar respect voor. Maar vegetarisme is de gemakkelijkste manier om hetzelfde voor elkaar te krijgen.'

Voor de kaas, sushi en barbecues die hij moet missen, komt een verrijkende ervaring in de plaats, zegt Foer. 'Er is een verhaal van Borges, waarin twee koningen een doolhof bouwen voor elkaar. De eerste koning bouwt een traditioneel doolhof met doodlopende kronkelweggetjes, zet de tweede koning in het midden en zegt: "Zo, zie maar dat je eruit komt." En die koning doet er jaren over om eruit te komen. Vervolgens zet de tweede koning de eerste koning in het midden van een woestijn en zegt: "Zo, zie maar dat je eruit komt." Dat lukt hem natuurlijk nooit, want waar moet je Łberhaupt beginnen? De boodschap is dat je grenzen en restricties nodig hebt om vrijheid te kunnen ervaren. Met eten werkt het precies zo; de keuze om sommige dingen niet te eten, maakt je keuzes uiteindelijk rijker.'

Aan het aanpalende tafeltje zit een dame met een hondje. Een man met een Deense dog aan de lijn passeert het terras, en het soort conversatie dat altijd spontaan tussen New Yorkse hondenbezitters lijkt te ontstaan, ontspint zich ook hier.

'Hoe heet ze?' vraagt de man.

'Lexy.'

'Lexy, je bent zo schattig, het breekt mijn hart.'

Wanneer de man is doorgelopen, fluistert Foer: 'En nu thuis zeker lekker een biefstuk eten.'

Jonathan Safran Foers 'Dieren eten' (vertaling: Otto Biersma en Onno Voorhoeve) verschijnt op 5 november bij Ambo/Anthos, 256 p.

'Lloyd Wright zou nu anders bouwen'
Vrij Nederland / Februari 2009


Foto: Dana Lixenberg

Net aangesteld bij het New Yorkse Guggenheim Museum bereidt David van der Leer een tentoonstelling voor over Frank Lloyd Wright, de architect die tachtig jaar geleden al bezig was met duurzaam bouwen, maar ook dacht dat wolkenkrabbers nu wel horizontaal zouden liggen.

Ľ Meer

David van der Leer, de kersverse assistant curator voor architectuur en design bij het Guggenheim Museum in New York, woont 'ver en diep in Brooklyn'. Op werkdagen neemt hij de metro naar de West Village in Manhattan, waar, in een anonieme toren nabij de Hudson, de kantoren van het Guggenheim gehuisvest zijn. 'Wat New York zo interessant maakt,' zegt hij, 'is die superhoge dichtheid. Je zit altijd samen met andere mensen in de metro, en dat dwingt tot interactie.'

Met zijn wijdopen ogen en zijn enthousiasme voor de stad heeft de recent aangestelde Van der Leer, de enige Nederlander die lid is van het curatorial team, wel iets weg van wat architect Frank Lloyd Wright in 1932 omschreef als de 'properly citified citizen'. 'Met argusogen, en dol als een derwisj,' omschreef Wright die stadsbewoner, wie de 'surge and mechanical roar of the big city' als muziek in de oren klonken - zoals ooit 'the song of birds, the wind in the trees, animal cries and the voices and songs of his loved ones' zijn hart vervulden.

Van der Leer: 'Wright had een ongelofelijke hekel aan de stad. Daarom is het ook zo ironisch dat zijn meesterwerk' - het slakkenhuisvormige Guggenheim Museum aan Fifth Avenue - 'juist hier is neergezet.' Dit jaar bestaat dat meesterwerk vijftig jaar, en is het ook een halve eeuw geleden dat Frank Lloyd Wright overleed - aanleiding voor het museum om met een grote overzichtstentoonstelling het werk en gedachtegoed van de Amerikaanse sterarchitect weer eens onder de aandacht te brengen. Aan die tentoonstelling werkt Van der Leer samen met voormalig directeur Thomas Krens, en de ooit door Wright zelf opgerichte Wright Foundation. 'De Foundation bestaat meer dan vijftig jaar, en sommige mensen werken er net zo lang. Ze hebben een hoop waardevolle kennis, maar zijn soms al te gefocust op Wrights ontwerpen. Het is mijn rol om te zien of we Wright weer relevant kunnen maken voor deze tijd,' zegt Van der Leer. Dat hij 'zeker geen Wright-specialist' is, is daarbij alleen maar handig: hij heeft kunst- en cultuurwetenschappen gestudeerd in Rotterdam, een combinatie van economie, sociologie en kunstgeschiedenis, met een specialisatie in stads- en architectuurtheorie. Zijn werk voor de tentoonstelling is breed: hij ontwikkelt bijvoorbeeld animaties met Harvard en een installatie met een vooraanstaand architectenbureau uit New York. Daarnaast is hij bezig met het binnenhalen van geld, 'om onze programma's te kunnen subsidiŽren. Dan is het handig als je een wat bredere achtergrond hebt dan alleen de kunstgeschiedenisboeken.'

In 2006 verruilde Van der Leer Rotterdam - waar hij na zijn studie pr-medewerker werd bij Rem Koolhaas' OMA - voor New York. Architect Steven Holl had hem gerekruteerd om zijn publicaties en tentoonstellingen te verzorgen. Vorige zomer schreef Van der Leer samen met Holl een tekst voor een tentoonstelling in het Guggenheim in Berlijn. Hij kwam in contact met de curator, en van het een kwam het ander. 'Heel Amerikaans,' noemt hij het. 'Ze hebben hier altijd behoefte aan Europeanen, die vinden ze exotisch en sexy - en dan kan het soms snel gaan.'

Groene daken

De carriŤre van Frank Lloyd Wright (1867-1959), een van Amerikas meest veelzijdige architecten, omspant bijna driekwart eeuw; ongeveer vijfhonderd van zijn ontwerpen werden in die periode gebouwd, van woonhuizen tot universiteitscampussen, kantoorgebouwen, en musea. Begin vorige eeuw, toen in Amerika de neo-stijlen in zwang waren, lanceerde Wright de invloedrijke prairiestijl - landhuizen met ver overstekende daken, geometrische verhoudingen, horizontale belijningen en een 'open' vloerplan. Hij stond een authentieke, Amerikaanse architectuur voor - 'Usonian' noemde hij het zelf. Van der Leer: 'Wright zocht naar een architectuur die zich duidelijk zou onderscheiden van de Europese stijlen.'

Wrights filosofie van een 'organische architectuur' was een inspiratiebron voor het modernisme van bijvoorbeeld De Stijl en de Amsterdamse School. Niet form follows function was zijn credo, maar: form and function are one. De gebouwen die Wright ontwierp, moesten op organische en economische wijze in verband staan met hun omgeving.

In het afgelopen jaar door Uitgeverij 010 gepubliceerde Amerikaanse Dromen: Frank Lloyd Wright en Nederland schrijft architectuurhistoricus Herman van Bergeijk dat de invloed van Wright van fundamenteel belang was voor de ontwikkeling van de Nederlandse architectuur, en 'in zekere zin een blijvend karakter' heeft. Tegenwoordig zie je die invloed bijvoorbeeld in de jarendertigrevival, waarbij Nederlandse vinexwijken met op Wrights prairiestijl geÔnspireerde huizen worden volgebouwd.

Ook al zo'n ironische ontwikkeling, zegt Van der Leer: 'Wright was op zoek naar een architectuur die in relatie stond met de tijd, niet naar het neerzetten van een specifieke stijl die je een halve eeuw later nog letterlijk kon herhalen. De tijden zijn nu anders, dus hij zou nu iets heel anders hebben gemaakt.'

Toch, zegt Van der Leer, zit in Wrights woningen 'heel veel informatie die ook nu van belang is. Hij was bijvoorbeeld al bezig met woningen die deels ingekapseld waren in de grond, omdat dat economischer is. Groene daken, vloerverwarming, en overhangende daken om de zon buiten te houden, of de warmte juist binnen.'

Iedereen zijn eigen lapje grond

Wright, die om de paar jaar met een publicatie kwam waardoor de aandacht weer op zijn werk en zijn ideeŽn werd gevestigd, was een controversieel man die relaties aan leek te gaan zoals een kettingroker met een nog brandende peuk de volgende sigaret aansteekt. Hij verklaarde 'de stad' meerdere malen dood en was een cultfiguur met een groot gevolg van jonge bewonderaars. In 1910 woonde hij even in Duitsland, waar hij met zijn minnares naartoe was gevlucht; de twee portfolio's die de Duitse uitgeverij Wasmuth rond die tijd van zijn werk uitbracht, vergrootten zijn bekendheid op het Europese continent.

Van der Leer: 'Wright had heel goed door dat continue aanwezigheid in de pers hielp om zijn gebouwen neer te kunnen zetten. De afgelopen vijftig jaar zijn meer architecten de media in hun voordeel gaan gebruiken - Rem Koolhaas is een voorbeeld, en andere sterarchitecten, zoals Zaha Hadid, Frank Gehry en Jean Nouvel.'

Wat Wright vooral relevant maakt voor deze tijd, vindt Van der Leer, is zijn onophoudelijke vernieuwingsdrang. Tekenend noemt hij het essay The New World, dat Wright in 1927 publiceerde, en waarin hij vooruit keek naar de eenentwintigste eeuw. Al valt er op de toekomstvisie van Wright wel een en ander af te dingen. In The New World ontvouwde hij die zo: 'Skyscrapers.. Laid down flatwise... Monuments? Abolished as profane... The City? Gone to the surrounding country.' In de eenentwintigste eeuw is urbanisatie juist toegenomen - ongeveer de helft van de wereldbevolking woont nu in een stad; volgens schattingen van de Verenigde Naties zal dit in 2050 voor zeventig procent gelden - en sinds 1927 zijn tal van monumentale iconen en evenzoveel wolkenkrabbers verrezen.

Van der Leer: 'Het leek Wright ideaal als iedereen zijn eigen lapje grond kreeg, lekker veel ruimte had, en alles via autowegen met elkaar verbonden was. Hij hield erg van auto's, en dat snap ik wel; dat was toen nieuw, er ging snelheid van uit. Maar hij was ook altijd bezig met natuur en met duurzaamheid, en als hij vijftig jaar later was geboren, had hij waarschijnlijk heel anders naar de stad gekeken.'

Dat zou best eens kunnen. De beginregel van het 'properly citified citizen'-essay uit 1932, luidde zo: 'The value of this earth, as man's heritage, is pretty far gone from him now.' De uitspraak had zů uit een film van Al Gore kunnen komen. Van der Leer: 'Wright was begin vorige eeuw al bezig met groen bouwen. Eigenlijk was hij zijn tijd ver vooruit.'

De tentoonstelling 'Frank Lloyd Wright' is van 15 mei tot 23 augustus te zien in het Guggenheim Museum in New York, en van 29 oktober tot 10 januari volgend jaar in het Guggenheim Museum in Bilbao, Spanje.

'Doen wij ons werk wel goed?'
Groene Amsterdammer/ April 2008


Foto: Harmen de Jong

Veertig jaar na de studentenopstand aan Columbia University is Amerika opnieuw in oorlog. Maar onder de studenten blijft het stil. Wetenschapssocioloog Jonathan Cole analyseert het verschil tussen '68 en '08.

Ľ Meer

Het was een zonnige dinsdag in april 1968. Gesterkt door het credo 'Up Against the Wall, Motherfucker!' liepen ruim duizend studenten Hamilton Hall binnen, een universiteitsgebouw op de campus van Columbia University in New York. Uit protest tegen de oorlog in Vietnam, en tegen de geplande aanleg van een fitnesscomplex in het park tussen de universiteit en het naburige Harlem, met aparte ingangen voor blanke studenten en zwarte buurtbewoners, begonnen ze een bezetting die pas acht dagen later zou eindigen - door een politie-ingreep met veel machtsvertoon en onder toeziend oog van de nationale en internationale media. In de tussentijd waren nog vier andere gebouwen bezet, waren studenten en staf onderling tegenover elkaar komen te staan, had de politie ťťn Rembrandt uit het kantoor van de voorzitter gered en 712 arrestaties verricht en waren 148 mensen gewond geraakt.

Ook op andere Amerikaanse universiteiten werden dat jaar gebouwen bezet en braken rellen uit, maar geen ervan eindigde zo gewelddadig en kreeg zo veel media-aandacht als het protest aan Columbia, dat nog altijd hťt symbool is van studentenactivisme in de VS.

Veertig jaar later is Amerika opnieuw in oorlog. En opnieuw heeft de universiteit, eenupper class enclave in een deel van Manhattan waar vooral Afro-Amerikanen en Latino's wonen, controversiŽle uitbreidingsplannen (de annexatie van ten minste vier woonblokken in West Harlem). Maar wat destijds nog tot een gijzeling van de campus leidde brengt vandaag amper een student op de been. De universiteit kijkt liever naar het verleden. In de universiteitsbibliotheek is een tentoonstelling van 'documenten en andere materialen uit de lente van 1968' te zien, de Journalism School toont documentaires over '68 en alumni houden een driedaagse conferentie om de opstand te herdenken. De aandacht voor de oorlog in Irak valt hierbij volledig in het niet. Een kleine club studenten heeft een actieweek op touw gezet onder de noemer 'Five Years of Occupation, Five Days of Action'. Maar waar de demonstrerende studenten van 1968 nog terugtrekking van de troepen uit Vietnam eisten, is het doel van de Five Days een stuk bescheidener: awareness.

'We willen ervoor zorgen dat je een hele week niet op de campus kunt komen zonder je bewust te zijn van de oorlog in Irak', zegt Sofia, een Griekse antropologiestudente van het actiecomitť. Radicaal zijn de activiteiten niet. Er wordt geprobeerd in vijf dagen alle namen van de omgekomen Irakezen en Amerikaanse soldaten voor te lezen. 'Als dat niet lukt, is dat al een politiek statement', aldus een van de organisatoren. In plaats van een bezetting of een sit-in is een walk-out georganiseerd: het verlaten van het leslokaal, donderdag tussen twaalf en vier.

Maar verder gebeurt er weinig. 'Universiteiten zijn doodstil over Irak. Het lijkt of niemand hier geÔnteresseerd is in onderdrukking of het verdwijnen van individuele vrijheden', zegt Jonathan Cole, hoogleraar en voormalig provoost aan Columbia University. Hij zat er in 1968 als promovendus sociologie met zijn neus bovenop. In 1960 kwam hij als student binnenwandelen en vervolgens is hij nooit meer weggegaan. Tijdens de opstand was hij bijna klaar met zijn proefschrift en gaf hij les aan undergraduates.

Cole's ruime kantoor op de achtste verdieping van Columbia's Law School biedt uitzicht op de campus en een deel van Harlem. Als wetenschapssocioloog verdiept Cole zich onder meer in de maatschappelijke rol van universiteiten en pleit hij regelmatig voor het belang van academische vrijheid - zoals in Academic Freedom Under Fire,een essay uit 2005 waarin hij waarschuwde voor de gevolgen van de Patriot Act op het 'radicale denken' waarvoor universiteiten, volgens hem, vrijhavens moeten zijn.

Omdat hij in 1968 enerzijds nog student, anderzijds al docent was, koos hij niet zonder meer partij. 'Ik had sympathie voor de idealen en eisen van de studenten', zegt Cole, die zelf in civil rights-optochten meeliep en fel tegen de oorlog in Vietnam gekant was. Maar in de wijze waarop de radicale studenten de universiteit tot symbool uitriepen van al wat aan Amerika mankeerde - racisme, onrechtvaardig kapitalisme, oorlog - kon hij zich minder vinden: 'Ik was tegen hun wens de universiteit kapot te maken.'

Eenzelfde nuance klinkt door in de manier waarop Cole het contrast analyseert tussen het activisme van toen en de apathie van nu. Natuurlijk is er een aantal voor de hand liggende verschillen, waarvan het ontbreken van de dienstplicht het meest in het oog springt. 'Pas toen duidelijk werd dat ook middle class kids de oorlog in gestuurd konden worden, raakte iedereen plotseling betrokken', zegt Cole over '68. En waar Vietnam de eerste 'televisieoorlog' was en Amerikanen dagelijks werden geconfronteerd met een stortvloed van shockerend beeldmateriaal, daar is Irak journalistiek gezien een zorgvuldig georchestreerde oorlog, met voornamelijk embedded verslaggevers die hun verhaal vertellen vanuit het oogpunt van 'onze jongens'. En er is een schaalverschil. Vorige maand overleed in Irak de vierduizendste Amerikaanse soldaat, maar uit Vietnam kwamen in 1968 alleen al vijftienduizend body bags terug.

De politieke apathie is volgens Cole het gevolg van ontwikkelingen die verder teruggaan dan Operation Iraqi Freedom: 'De rellen in '68 waren het eindpunt van een serie sociale bewegingen die in de Verenigde Staten al een tijdje aan de gang waren, zoals de civil rights movement en de vrouwenbeweging, en die veel studenten hadden gemotiveerd.' John Kennedy had een gevoel van hoop en verandering vertegenwoordigd en 'er was het geloof dat we door middel van collectieve actie onze sociale en economische instituties konden hervormen.'

Dat geloof in de kracht van het collectief was geen lang leven beschoren. De protesten op Columbia en elders in de Verenigde Staten werden eerder bruut neergeslagen dan dat ze tot verandering leidden, de live op televisie uitgezonden Democratische Conventie in Chicago eindigde in een gewelddadige confrontatie tussen demonstranten en de politie, en bij de verkiezingen later dat jaar werd de Republikein Richard Nixon voor zijn belofte van law and order met het presidentschap beloond.

Machtsvertoon brak de wil van studentenorganisaties. Cole: 'Jonge mensen raakten ontmoedigd en de studentenbeweging werd gefragmenteerd.' 'Drie of vier decennia van extreem individualisme' volgden, waarin zelfredzaamheid en zelfverrijking belangrijker waren dan sociale of politieke betrokkenheid. Het idee dat collectieve actie tot verandering kon leiden maakte plaats voor een cynische houding tegenover de politiek en het geloof dat 'als je toch niets kunt veranderen, je in elk geval maar moet zorgen dat je het zelf goed voor elkaar hebt.'

De studenten die Cole nu heeft, geboren rond '85, hebben een politiek bewustzijn dat niet verder terug reikt dan het presidentschap van George W. Bush: 'Een zeer apolitieke generatie. Ze hebben totaal geen vertrouwen in politiek leiderschap - en waarom zouden ze ook, gezien de afgelopen acht jaar?' Weliswaar belooft Barack Obama, net als Kennedy destijds, hoop en verandering en krijgt hij daarmee ook een verrassend aantal jonge mensen op de been, maar 'op de universiteit zie je daar niet veel van terug.'

De universiteiten zelf zijn ook veranderd. Onderwijs is een product geworden, de student een klant. Topuniversiteiten vragen veertigduizend dollar collegegeld per jaar. Cole: 'Studenten zoeken eerder de snelste weg naar een law of business degree dan dat ze hier komen voor kennis, literatuur, kunst, filosofie en wetenschap.'

Verder hebben gestandaardiseerde tests en strenge toelatingseisen ertoe geleid dat de aangenomen studenten allemaal uit hetzelfde hout gesneden zijn: 'Er zit nooit meer iemand tussen met een afwijkende, originele blik. Ze zijn vanaf hun vijfde bezig met het vergaren van de juiste cijfers en extracurriculaire activiteiten om op de beste universiteit terecht te komen.'

Goed scoren is voor de meeste studenten belangrijker dan maatschappelijke betrokkenheid. Cole: 'Ik heb studenten wel eens gevraagd of ze hun politieke ideeŽn voor zich houden uit angst de professor te beledigen, met een slechter cijfer als gevolg. Een derde stak zijn hand op. Ik vraag me soms af of wij als universiteiten ons werk wel goed doen - of we radicaal denken wel genoeg aanmoedigen en de ruimte geven, zoals een universiteit betaamt.'

Terwijl de alumni, professoren en bestuurders zich buigen over 'de erfenis van '68', blijft het on line-aanmeldingsrooster van Five Days angstvallig leeg - een indirect antwoord misschien op de zorgen die Cole zich maakt. 'Ik wil graag hoopvol zijn', zegt hij, 'maar het is de rol van een universiteit om de heersende macht en de algemeen geldende opvattingen van een samenleving kritisch te volgen en uit te dagen. Dat gebeurt nu niet.'

'Kunst is toegankelijk te maken'
de Volkskrant / 27 april 2006



In Duitsland is Rhythm is it!, over dansende kinderen, een hit. 'Het gaat hier om een positief verhaal. Dat verklaart het succes.'

Ľ Meer

Kunst is voor iedereen. Het is geen luxe, maar een noodzaak. 'Afkomst, huidskleur, seksualiteit - mensen letten tegenwoordig alleen nog op verschillen, niet meer op overeenkomsten. We moeten onze gemeenschappelijke basis herdefiniŽren, en daar is kunst voor nodig. Want onze culturele traditie, die delen we.'

De Duitse regisseur Thomas Grube (1971) heeft een missie: mensen en kunst met elkaar in contact brengen. 'Kunst leeft op de kunstpagina's van de kranten, maar speelt in het leven van de meeste mensen nauwelijks nog een rol.'

Boomtown Media, de filmmaatschappij die Grube in 1999 oprichtte, moet aan die missie gestalte geven, door dans- en muziek-documentaires te maken die bedoeld zijn voor een groot publiek. Vandaag gaat in Nederland Rhythm Is It! in premiŤre. Daarin volgt hij dirigent Simon Rattle van het Berliner Philharmoniker en choreograaf Royston Maldoom, in hun poging 250 schoolkinderen te laten dansen op Stravinsky's Le Sacre du Printemps. Bepaald geen sexy onderwerp, maar Rhythm Is It! trok in Duitsland bijna een half miljoen bezoekers en won prijzen voor beste documentaire en beste montage.

'Duitsland maakt een depressieve tijd door. Het onderwijssysteem deugt niet, integratie is een probleem, mensen klagen voortdurend. Rhythm Is It! gaat juist over het ontdekken van mogelijkheden. Een positief verhaal, dat verklaart het succes.'

Grube, goedlachs en gebruind, is een paar dagen in Amsterdam. 'Een mini-ontsnapping', want hij zit midden in de montage van een tweede film over het orkest. 'Ik hoop dat de mensen die het aandurfden Rhythm Is It! te bezoeken, me ook naar dit project willen volgen.'

Het kantoor van Boomtown Media ligt vlakbij het Berlijnse Orkestgebouw. De ambities van de dirigent liggen Grube na aan het hart. 'Rattle maakt het Berliner Philharmoniker toegankelijk. Hij heeft educatieve projecten opgezet, jongeren kunnen nu voor 12 euro een ticket kopen. Dat is de eerste stap.'

De tweede stap, volgens Grube: 'Naar buiten gaan. Niet in je ivoren toren zitten wachten tot de mensen naar je toekomen, maar cultuur brengen op plekken waar die nog niet is.'

Alle kunsten zouden 'uit hun niche' moeten komen, vindt Grube. 'Kunst is niet enkel voor rijke zakenmannen en hun vrouwen. Rhythm Is It! moet niet alleen dans- en muziekliefhebbers bedienen, maar iedereen.'

Om het grote publiek naar de bioscoop te lokken gaf Grube Rhythm Is It! zoveel mogelijk het uiterlijk van een fictie-film. 'Ik houd me niet bezig met objectiviteit of subjectiviteit. Alles is altijd subjectief. Het enige wat ik kan doen is mijn ervaring herleven. Daarvoor moet je de gereedschappen van cinema aanwenden. Dat betekent: een dramatische structuur, Dolby Surround Sound, emotionele muziek.' Het aantal hoofdpersonen beperkte hij tot drie, zodat 'het publiek zich kan inleven'. Bij de cameravoering koos hij voor veel totaalbeelden en weinig scherpte-diepte. 'De film laat zien hoe het echt was', benadrukt Grube. 'Het is een documentaire, maar dan opgebouwd met het gereedschap van cinema. Gereedschap dat al meer dan 100 jaar zijn effect bewijst.'

Net als Rattle en Mardoom in de film gelooft Grube dat voor wie ťcht wil, alles mogelijk is - zelfs als niemand er in gelooft. 'Toen ik begon, kreeg ik te horen dat mensen niet geÔnteresseerd zijn in dans en klassieke muziek. Maar dat zijn ze wel, als je het maar toegankelijk maakt. Het succes van Rhythm Is It! bewijst dat.'

'Deze foto's tonen mijn manier van kijken'
de Volkskrant / 6 maart 2006



Han Nefkens verzamelt foto's in samenspraak met musea. De musea krijgen zijn foto's in permanente bruikleen, en ze mogen ze, na zijn dood, hebben. 'De bureaucratie van subsidie is tijdrovend.'

Ľ Meer

'Ik heb nog een vraag over die Luisa Lambri in de gordijnkamer', zegt kunstverzamelaar Han Nefkens wanneer hij een dag voor de opening van 'zijn' tentoonstelling in het Amsterdamse fotografiemuseum Huis Marseille directrice Els Barents tegen het lijf loopt. 'Ik vind het niet zo mooi dat die zo hoog hangt.'

'Dat is juist de bedoeling, het is een bovenraam.'

Het bovenraam is een foto van de Italiaanse fotografe Lambri: licht valt binnen door een wit venster. 'De gordijnkamer' is een zaal in Huis Marseille; er hangen nog meer foto's met ramen, gordijnen en luxaflex. 'Gordijnen sluiten ruimtes af, maar openen ze ook', zegt Nefkens. 'Je vraagt je af wat er achter zit, dat is een vorm van kijken.'

Kijken, dat is waar de tentoonstelling Whisper not!Een andere dimensie van zien om draait. 'Mijn interesse gaat uit naar foto's die de werkelijkheid vervormen, en daardoor een andere werkelijkheid tonen.'

De naam Han Nefkens (1954) is in de kunstwereld relatief onbekend. De schrijver en oud-journalist begon in 2000 met het verzamelen van hedendaagse kunst: 'Ik was geÔnteresseerd in kunst zoals zovelen: je gaat eens naar een museum, bladert eens door een tijdschrift. Ik had nog nooit bedacht dat ik er zelf actief in kon zijn. Tot een vriend me adviseerde kunst te kůpen.'

Inmiddels telt Nefkens' zogeheten H+F Collectie, die hij uit eigen middelen - Nefkens: 'familiegeld' - bekostigt, 425 werken van onder anderen Shirin Neshat en Jeff Wall. De collectie bevat voornamelijk foto's: 'Dat is niet mijn opzet. Maar ik houd van ingehouden, verstilde kracht, en dat vind ik het meest bij fotografie.'

Voorheen verzamelde hij anoniem, maar tegenwoordig verbindt hij zijn naam openlijk aan exposities. Naast de H+F Collectie heeft hij de stichting ArtAids opgezet, die door het verkopen van kunstwerken geld moet generen ter bestrijding van aids. Nefkens, zelf seropositief: 'Het vinden van sponsors voor zo'n project gaat gemakkelijker wanneer mensen weten dat ik jarenlange ervaring heb in het samenwerken met musea.'

Het samenstellen van zijn collectie doet hij, vrij onorthodox, in samenspraak met musea. 'Kunst is gemaakt om aan de wereld te tonen. Opslag is voor mij een vies woord.' Door over zijn aankopen te overleggen met het Centraal Museum, Boijmans van Beuningen en het Huis Marseille verzekert hij zich van exposities. Nefkens: 'We maken een lijst van kunstenaars die ons interesseren. Die werken koop ik, en de musea krijgen ze permanent in bruikleen. Na mijn overlijden worden ze een gift, onder voorwaarde dat ze eens in de vijf jaar vertoond worden. Want ik wil niet dat ze in een depot belanden.'

Nefkens ziet zichzelf als een mecenas - een welgestelde beschermheer van kunst en kunstenaars. Een gedateerd begrip, sinds de overheid eind jaren vijftig met subsidies die rol op zich nam. Zo waren musea onafhankelijk van particulieren. Nefkens: 'Maar ook subsidie maakt afhankelijk, en de bureaucratie is tijdrovend. In Nederland is het gÍnant je op je rijkdom te laten voorstaan, gevers blijven liever anoniem.' Door zelf uit de anonimiteit te treden maakt Nefkens duidelijk dat particulieren een rol hebben in het ondersteunen van kunst. 'Dat heeft niets te maken met borstklopperij, het geeft gewoon voldoening.'

Momenteel bevindt 95 procent van zijn collectie zich in musea, en Whisper not! is de tweede tentoonstelling die volledig uit werk van hem bestaat. In Whisper not! is de verstilde kracht waar Nefkens van houdt duidelijk aanwezig: in het werk van Frank van der Salm veranderen gebouwen, door de afwezigheid van mensen, in maquettes; de Franse Pierre Faure fotografeerde in het drukke Tokyo een slapende man op een bankje en een in zichzelf gekeerd meisje in de metro. 'Dit is mŪjn manier van kijken, dit is wat Ők mooi vind; nu kunnen ook andere mensen er naar kijken. Dat geeft een heerlijk gevoel.'






recent


interview


reportage


recensie


anders


over